Onverwachte gevolgen van afhankelijk ontstaan (pratitya samutpada), of hoe alles met alles samenhangt.
‘Ik ben veganist, Hans.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik eet niets dierlijks en gebruik niets waarvoor dieren nodig zijn.’
‘Dat mocht je willen.’
‘Ik gebruik zelfs geen gelatine meer.’
‘Je eet nog wel?’
‘Uitsluitend plantaardig en biologisch.’
‘Je eet gewassen?’
‘Planten hebben geen gevoel.’
‘Dat dachten ze van dieren ook.’
‘Descartes is dood.’
‘Wat eten die planten eigenlijk?’
‘Hè?’
‘Wat eten de planten die jij eet?’
‘Planten eten niet.’
‘Kunstmest?’
‘Ik ben tegen kunstmest, Hans.’
‘Denk je dat die planten zich daar iets van aantrekken?’
‘Ik eet bio.’
‘Jij eet alleen planten die poep eten?’
‘Precies.’
‘Waar komt die poep vandaan?’
‘Van koeien en zo. Varkens, schapen, geiten, kippen.’
‘En waarvoor worden die koeien en zo nog meer gebruikt?’
‘Waarvoor?’
‘Of denk je dat ze uitsluitend voor de poep worden gehouden?’
‘Nou…’
‘Dacht jij soms dat een boer van mest alleen kon leven?’
‘Ik…’
‘Wat denk je dat er gebeurt met de dieren die het mogelijk maken dat jij de veganist kunt uithangen? Leven ze nog lang en gelukkig op de eeuwige grasvelden?’
‘Dat heb ik me eerlijk gezegd nooit afgevraagd.’
‘Dan zeg ik het je ongevraagd. Ze worden zonder enige vorm van proces geslacht, hun huid wordt verwerkt in leerprodukten, hun vlees wordt tot de laatste vezel opgegeten door mensen en huisdieren, hun botten worden vermalen tot beendermeel voor in de tuin, op het land en in de lijm.’


