Over macht en overmacht.
‘Ik vind het schandalig dat mensen nog steeds bont dragen, Hans.’
‘Waarom?’
‘Omdat er dieren voor gedood worden natuurlijk.’
‘Hou je van pelsdieren?’
‘Nou en of.’
‘Zou je ook niet van ze kunnen houden?’
‘Ondenkbaar.’
‘Is dat de reden dat je actie moet voeren?’
‘Beslist.’
‘Sommige mensen houden van bont.’
‘En?’
‘Zouden ze er ook niet van kunnen houden?’
‘Ze, eh…’
‘Zou dat de reden kunnen zijn dat ze bont moeten dragen?’
‘Wou jij beweren dat we niet zelf bepalen waar we van houden?’
‘Wou jij beweren dat we het helemaal zelf bepalen?’
‘Zelfs als je er niets aan kunt doen dat je van bont houdt, hoef je het toch niet te dragen?’
‘Zelfs als je er niets aan kunt doen dat je tegen bont bent, hoef je toch geen actie te voeren?’
‘Toch wel.’
‘Nou dan.’
‘Die mensen zitten helemaal vast in hun eigen voorkeuren.’
‘Ook dat hebben jullie gemeen.’
‘Dus jij legt je er zonder meer bij neer?’
‘Wat ben ik, een defaitist?’
‘Maar jij denkt dat we niet zelf bepalen of we in actie komen?’
‘Wat ben ik, een fatalist?’
‘Dus jij vindt dat we ons afzijdig moeten houden?’
‘Wat ben ik, een neutralist?’
‘Dus jij vindt ook dat er iets moet gebeuren?’
‘Wat ben ik, een activist?’
‘Wat vind je dan wel?’
‘Wat ik ook vind, ik raak het meteen weer kwijt.’
‘Wat maakt dat jou?’
‘Geen idee. Vrij?’


