Laatste van zeven teksten over het hoofd versus het hart.
Over de functie van het hart is vroeger veel gespeculeerd. Tegenwoordig zien we ons hart anatomisch als een bloedpomp en symbolisch als de zetel van het gevoel, vandaar onze woorden hartstocht, hartenkreet, harteloos. Ooit was dat wel anders.
De oude Chinezen, Indiërs, Israëlieten, Egyptenaren en Grieken, waaronder Aristoteles, zagen het hart als de zetel van het denken, de rede, het intellect, de geest, het bewustzijn, de ziel. Wat wij toeschrijven aan het brein, schreven zij toe aan het hart.
Of ze hun gedachten ook in hun borst hoorden, zoals wij ze tussen onze oren horen, valt niet na te gaan, maar het zou best kunnen. Het brein is tenslotte ook in staat om, met behulp van een paar spiegels en schotten, gevoel te projecteren in een ontbrekend lichaamsdeel, in een prothese en zelfs in andermans hand. Het brein is in staat leven te zien in een buikspreekpop en wijsheid in een boeddhabeeld.
Als ik mijn verbale gedachten probeer te lokaliseren, hóór ik ze min of meer tussen mijn oren, of denk ze daar te horen, en vóel ik ze in mijn spraakorgaan, ónder mijn hoofd dus. Visuele gedachten zie ik ongeveer achter mijn ogen, of denk ze daar te zien. In het leven van alledag is lokalisatie van gedachten voor mij een non-issue, ik hou me er niet mee bezig, het doet er niet toe waar ze zich bevinden, ze bevinden zich niet.
Mijn gevoelens ervaar ik niet in mijn hart, mijn borst of op een andere locatie binnen of buiten mijn lijf, met uitzondering van specifiek lichamelijke gevoelens, zoals een versnelde hartslag wanneer ik opgewonden raak, een brok in mijn keel wanneer ik verdrietig ben, een samentrekkende zak wanneer ik bang wordt, blossen wanneer ik me schaam.*
* Het zou me niets verbazen als er artsen, filosofen of natuurgenezers zijn (geweest) die op grond van dit soort observaties het hart als de zetel van de opwinding beschouwen, de strot als de zetel van het verdriet, het scrotum als de zetel van de angst, de wangen als de zetel van de schaamte.
Mijn gevoelens voel ik waar ik ze voel, en dat is niet waar ze zich horen te bevinden, als ze zich al ergens bevinden. Zo stralen pijnen vaak uit voorbij mijn huid in de lege ruimte rond mijn lijf. Als ik slaperig in bed lig en alleen op mijn gevoel afga om te bepalen welke vorm mijn lichaam heeft, vervagen mijn lichaamsgrenzen en word ik een vreemd vloeiend voorwerp, een wasklomp in een lavalamp, een zacht pulserende inktviskwal in lauwe olie, waarin bij gebrek aan topografie niets te lokaliseren valt.
Het idee van het hart als de zetel van de emoties is terug te voeren op het werk van de Romeinse arts Galenus. Het begon als een speculatieve theorie, die onder geneeskundigen langzaam aan gezag won, zich tot een heus paradigma ontwikkelde, net als alle paradigma’s tot een dogma verhardde en pas anderhalf millennium later wetenschappelijk weerlegd zou worden.
Nog steeds heeft dit idee zijn apologeten, vooral onder esoterici, die wel vaker honderden tot duizenden jaren achterlopen op de ontwikkelingen, want oud is wijs en ouder is wijzer, menen ze. Ze halen graag antieke literatuur aan om hun overtuiging te schragen dat je vanuit je hart, vanuit je gevoel, vanuit je intuïtie moet leven. Dat staat er misschien wel, als je zo’n tekst leest met de hedendaagse symbolische betekenis van het woord hart in je hoofd, maar als je het nu eens leest met de woordenschat van de oorspronkelijke schrijver, die zijn hoofd in zijn hart dacht?*
* Kristofer Schipper was zich bewust van dit probleem in zijn vertaling van de Zhuang Zi. Hij plaatste herhaaldelijk een voetnoot bij het woord hart om aan te geven dat het begrepen moet worden als de zetel van het verstand, niet als de zetel van het gevoel. (Ik schrijf dit in de verleden tijd want Schipper is inmiddels overgevaren.)
Wil je verwijzingen naar het hart in oude geschriften aanvoeren als bewijs dat de ouden het gevoel hoger aansloegen dan het verstand? Dan moet je eerst uitzoeken wat de schrijver dacht dat de functie van het hart was. Niet dat je er wat mee wint: het argumentum ad antiquitatem is hoe dan ook een drogreden.


