Wijzen hebben geen zienswijzen, zei de dwaas.
‘Als je in de vrije wil gelooft, kun je blij zijn met ieder complimentje en bedankje, Hans.’
‘Een groot genoegen.’
‘Als je niet in de vrije wil gelooft, hoef je je nergens meer voor te schamen.’
‘Een hele opluchting.’
‘Als je in de vrije wil gelooft noch niet gelooft, zit je nergens meer in vast.’
‘Eindelijk vrij.’
‘Wat is volgens jou de beste zienswijze?’
‘Je veronderstelt dat er een beste zienswijze is.’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Je veronderstelt dat ik het weet.’
‘Als jij het niet weet, bij wie moet ik dan wezen?’
‘Je veronderstelt dat iemand het weet.’
‘Bedoel je dat niemand het weet?’
‘Hoe moet ik dat weten?’
‘Hoe moet ik er dan achter komen?’
‘Je veronderstelt dat je erachter kunt komen.’
‘Volgens mij moet je in iedere situatie de prettigste zienswijze kiezen.’
‘Nu veronderstel je weer een vrije wil.’

