Wim was vroegrijp en vroegmoe en maakte reeds als tiener een eind aan zijn leven. Eerst dacht ik dat hij van een klif was gesprongen, maar hij had zich opgehangen aan een boom langs het bospad waar we regelmatig hardliepen. Die boom had hij mij een week eerder aangewezen als ideaal voor dat doel en het touw had hij ook al, zei hij.
Toen ik enkele weken na zijn dood ging kijken was de boom weg, nergens meer te vinden. Wim was ook nergens meer te vinden. Alleen wat spulletjes en papieren, die ik moest uitzoeken.
Hans nam het Wim kwalijk dat hij zelfmoord pleegde. Hij nam het zichzelf kwalijk dat hij het Wim kwalijk nam. Hij voelde zich schuldig dat hij er geen volwassenen bij had gehaald toen Wim hem deelgenoot had gemaakt van zijn wanhoop. Wims familie gaf zichzelf een kwart eeuw later nog steeds de schuld. Vrede zij met ons.
Sinds Wims dood ben ik alert op zelfmoordneigingen en vraag ik ernaar, noem het zorgzaamheid, noem het conditionering, noem het niet-weten. Mensen nemen het mij kwalijk als ik over zelfmoord begin. Ze nemen het me kwalijk als ik van zelfmoord spreek in plaats van zelfdoding, van zelfdoding in plaats van suïcide, van suïcide in plaats van euthanasie, van euthanasie in plaats van zelfmoord. Vrede zij met hen.
Mensen denken dat je niet dood mag willen, ze denken dat je daar iets over te zeggen hebt, ze denken dat je er niets over te zeggen hebt, ze denken dat zelfmoord je karma vergroot, dat het een doodzonde is, dat het een recht is, dat niemand erover mag oordelen. Mensen denken van alles en nog wat, vrede zij met hen.
Ik besef elke dag dat ik nog leef, memento vivendi. Ik denk elke dag aan de dood, memento mori. Als ze echt dood wil zal ik mijn lief niet tegenhouden, mezelf evenmin, en anders is het ook goed. Zij zal mij niet tegenhouden, zichzelf evenmin, en anders maar wel. Vrede is in ons.

