Over het verschil tussen echte dromen en dromen van echtheid.
‘Heb jij het voor het zeggen in dit leven?’
‘Nou en of, Hans, ik maak mijn eigen keuzes.’
‘De mensen waarover je ’s nachts droomt, hebben die het voor het zeggen?’
‘Ik denk het niet.’
‘Waarom niet?’
‘Die zijn niet echt.’
‘Waarom denk je dat?’
‘Omdat ze alleen in mijn dromen verschijnen.’
‘De ik in je dromen, heeft die het voor het zeggen?’
‘In mijn dromen denkt hij van wel.’
‘En achteraf?’
‘Achteraf natuurlijk niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het slechts dromen zijn.’
‘Ben jij wel echt?’
‘Wie droomt er anders al die dromen?’
‘Wat als je zometeen wakker wordt?’
‘Nog een keer?’
‘Hoezo?’
‘Ik ben vanmorgen al wakker geworden.’
‘Misschien was dat ook maar een droom.’
‘Dat ik wakker werd?’
‘Kan toch?’
‘Ik veronderstel van wel.’
‘Tenzij dat ook een droom was.’
‘Dan zou ik gedroomd hebben dat ik droomde dat ik wakker werd.’
‘Een matroesjka van dromen.’
‘En dit gesprek dan?’
‘Wat is daarmee?’
‘Is dat echt?’
‘Wat denk jij?’
‘Als ik op mijn gevoel afga wel.’
‘Is je gevoel betrouwbaar?’
‘Ik sta er niet voor in.’
‘Als dit gesprek een droom is, heb jij het dan op dit moment voor het zeggen?’
‘Als het een droom is niet.’
‘En als dat ook een droom is?’
‘Als het een droom is dat dit gesprek een droom is waarin ik het niet voor het zeggen heb?’
‘Is het dan weer echt of dubbel onecht?’
‘Ik durf het echt niet te zeggen.’
‘Nou, ik ook niet.’


