Vragen doodvragen.
‘Wat is de zin van het leven, Hans?’
‘X is de zin van het leven.’
‘Wat is X?’
‘Waarom wil je dat weten?’
‘Dat is nu net de vraag.’
‘Was dat maar waar.’
‘Hoezo?’
‘Dan had het misschien nog zin om hem te stellen.’
‘Wat is het probleem?’
‘Dat het pas de eerste vraag is.’
‘Wat is de volgende vraag?’
‘Wat is de zin van X?’
‘Waarom zou ik dat willen weten?’
‘Omdat je anders nog niets weet.’
‘Daar zeg je zo wat.’
‘Daar vroeg ik je wat.’
‘Wat is de zin van X?’
‘Y is de zin van X.’
‘Wat is de zin van Y?’
‘Z is de zin van Y.’
‘Enzovoort.’
‘Nou, voort.’
‘Wat is de laatste vraag in deze reeks?’
‘Is er een laatste vraag in deze reeks?’
‘Dit noem ik nu dooddoen.’
‘Dit noem ik nu doodvragen.’
‘Wat is de zin van doodvragen?’
‘X is de zin van doodvragen.’

