‘Geloof jij dat je het voor het zeggen hebt, Hans?’
‘Kan jou het schelen.’
‘Jouw mening is belangrijk voor mij.’
‘Ik kan wel zoveel zeggen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Stel dat ik het niet voor het zeggen heb, maar beweer van wel…’
‘Waarom zou je?’
‘Wat maakt het uit als ik het niet voor het zeggen heb?’
‘Goeie vraag.’
‘Stel dus dat ik het niet voor het zeggen heb, maar beweer van wel, dan zou jij geen steek wijzer wezen.’
‘Integendeel.’
‘Of stel dat ik het wel voor het zeggen heb, maar beweer van niet.’
‘Waarom zou je?’
‘Om aan mezelf te bewijzen dat ik het kan, bijvoorbeeld.’
‘Op die manier.’
‘Dan zou jij weer geen steek wijzer wezen.’
‘Integendeel.’
‘Het zou ook kunnen dat ik meen wat ik zeg.’
‘Daar ga ik zonder meer van uit.’
‘Maar dat weet je niet.’
‘Toegegeven.’
‘Dus zou je opnieuw geen steek wijzer wezen.’
‘Integendeel.’
‘En zelfs als ik echt meende wat ik zei, zou ik het best eens mis kunnen hebben.’
‘Kan gebeuren.’
‘En zou jij nog steeds geen steek wijzer wezen.’
‘Integendeel.’
‘Dus wat ik ook zeg, je schiet er niets mee op.’
‘Nee.’
‘Hiermee ook niet.’

