1
‘Denk jij dat het leven zinvol is, Hans?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Denk je dan dat het leven zinloos is?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Denk je dan dat het leven zowel zinvol als zinloos is?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Denk je dan dat het leven noch zinvol noch zinloos is?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
2
‘Denk jij dat er een juiste visie op het leven is?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Denk je dan dat alle visies op het leven onjuist zijn?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Denk je dan dat visies op het leven zowel juist als onjuist zijn?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Denk je dan dat visies op het leven noch juist noch onjuist zijn?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
3
‘Denk jij dat de dood zinvol is?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Denk je dan dat de dood zinloos is?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Denk je dan dat de dood zowel zinvol als zinloos is?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Denk je dan dat de dood noch zinvol noch zinloos is?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
4
‘Denk jij dat er een juiste visie op de dood is?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Denk je dan dat alle visies op de dood onjuist zijn?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Denk je dan dat visies op de dood zowel juist als onjuist zijn?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Denk je dan dat visies op de dood noch juist noch onjuist zijn?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
5
‘Wat denk je dan wel over de zin van leven en dood?’
‘Het gaat het er niet om wat ik denk.’
‘Waar gaat het dan om?’
‘Hoe ik denk.’
‘Hoe denk je dan?’
‘Dat hoor je toch?’
‘Ik heb nog niets gehoord.’
‘Dat heb je goed gehoord.’

Verder lezen: Wat is een tetralemma?

