In een drukke winkelstraat, tijdens de koopjes, loopt een dronken man midden op de rijweg, en zingt uit volle borst: ’We all live in a yellow submarine’. Auto’s toeteren, mensen beginnen tegen hem te schreeuwen. Iemand roept of hij ooit van verkeersregels heeft gehoord. Het maakt duidelijk geen indruk op hem. Dan loopt iemand naar de man toe, geeft hem een arm en terwijl ze samen uit volle borst ‘We all live in a yellow submarine’ zingen, lopen ze arm in arm naar het voetpad.
Toegegeven, het is een onnozel verhaaltje. Ik bedacht het de avond voor ik een lezing over het boeddhisme zou geven. En ik vroeg aan de zaal: ‘waar gaat dit verhaal over? Gaat het over een song van de Beatles of over ‘hoe breng ik iemand in veiligheid?’
Het antwoord is simpel. Maar als dit een boeddhistisch verhaal was geweest dan hadden we nu geleerde traktaten van godsdienstwetenschappers over de kleur van duikboten. Historici zouden aantonen dat het in de oorspronkelijke versie niet de ‘Yellow Submarine’ was maar ‘All We Need Is Love’. En anderen zouden argumenteren dat het een apocrief verhaal is. Stapels boeken, websites, discussies…
Maar niets daarvan doet ertoe. Het enige belangrijke is: kan ik in deze situatie, deze persoon helpen?
De eerste jezuïeten in Japan, in de 16de eeuw, noemden de Boeddha een grote leugenaar, omdat hij in al die verschillende sutra’s telkens weer andere dingen vertelde. Maar de Boeddha, en het boeddhisme na hem, heeft zich telkens, bijna schaamteloos, aangepast aan nieuwe mensen, nieuwe situaties, nieuwe culturen. Het boeddhisme kent, bij wijze van spreken, veel verschillenden duikboten. De jezuïeten daarentegen hadden maar één duikboot. Maar dan wel de enige ware.
In de Sutra van Guanyin, zoals we die ook in onze traditie zingen, wordt gezegd dat Guanyin alle gestalten kan aannemen. Het is een lange lijst. Als iemand gered kan worden door een boeddha of bodhisattva, als iemand gered kan worden door een man of een vrouw, door monsters en demonen … dan zal zij die gestalte aannemen. Als een dronken man gered kan worden door iemand die bereid is om samen met hem ’We all live in a yellow submarine’ te zingen, dan zal zij die gestalte aannemen.
Maar wat spreekt mensen zo aan in religie? In mijn ervaring zijn er twee redenen die eigenlijk lijnrecht tegenover elkaar staan en telkens weer in hetzelfde gebied bijeenkomen. De eerste is gemakkelijk te benoemen: het is angst, de behoefte aan zekerheid in een wereld waarin er uiteindelijk geen zekerheid is. Religie staat hier niet alleen. Mensen die zich van de religie afgewend hebben zoeken die zekerheid in wetenschap, of filosofie, of andere systemen. En ook in het boeddhisme menen velen een houvast te vinden.
Het tweede is veel moeilijker te benoemen. Maar mijn ervaring is dat mensen het herkennen. Het is een onbestemd verlangen naar openheid, naar het loslaten van alle krampachtigheid. Het is een gevoel dat je kan overvallen als je een kerk binnenkomt of een tempel, of een open plek in het bos … ieder woord is hier te veel, omdat het iets vastzet, wat niet vast te zetten valt.
Het onbenoembare ervan maakt het moeilijk, zo niet onmogelijk, om er iets over te zeggen. Maar mensen herkennen het en het is vaak sterker dan alle angst en onzekerheid.
Een mooi voorbeeld is de ontmoeting tussen de Brabantse mysticus Jan van Ruusbroec en zijn Hollandse confrater Geert Groote. Die laatste had een grote bewondering voor de mystieke geschriften van Ruusbroec maar toen hij Ruusbroec ontmoette was hij geschokt door het feit dat deze helemaal geen ‘vreze Gods’ bezat. Voor Groote was de ‘vreze Gods’ het enige wat ons kon redden van de hel. Hij sprak Ruusbroec hierop aan, maar die antwoordde rustig dat als God hem naar de hel zou sturen, dat hij daar dan vrede mee zou hebben.
Twee mensen, zelfde tijd, zelfde geloof, zelfde taal en zo een verschil. Om terug te keren naar het verhaaltje waarmee we deze tekst begonnen zijn. De katholieke theologie is hier de yellow submarine, het is de gemeenschappelijke taal van Ruusbroec en Groote. En als ik het verslag van hun ontmoeting lees, herken ik mij in wat Ruusbroec daar zegt. Ook al geloof ik er geen woord van, want ik deel zijn taal niet, ik geloof niet in een God en een hemel en een hel, en toch herken ik het.
Dat maakt het zo moeilijk om over religie te spreken. De discussie gaat al te vaak over de yellow submarine, en blijft dus altijd naast de kwestie.
Dat geldt ook voor het ethische aspect ervan. Voor Geert Groote is de ‘vreze Gods’ noodzakelijk om niet in een moreel vacuüm te vallen. Maar vanuit die openheid is mededogen, of noem het liefde, de vanzelfsprekende consequentie.
Dit spanningsveld vinden we evengoed in het boeddhisme. Ik heb boeddhisten heftig horen argumenteren dat het geloof in reïncarnatie absoluut noodzakelijk is, omdat er anders geen reden meer is om ons aan de sila, de ethiek, te houden. De ‘vreze’ voor het karma dus. En als twee specialisten in de mystiek, een boek schrijven over Ruusbroec en zen, dan raken ze bij wijze van spreken niet verder dan een discussie over de kleur van duikboten. Zoals, helaas, ook zoveel discussies tussen boeddhisten onderling.
Ik zou zo willen dat we allemaal konden stil worden, en iedereen zijn eigen duikboot laten, en ons los daarvan in onze gemeenschappelijke menselijkheid herkennen.


Geef een reactie