We kennen het allemaal: die innerlijke stemmen.
De ene stem verlangt naar avontuur.
Een andere zegt: ja, maar dat durf ik niet; dat is veel te onzeker.
Een derde besluit uiteindelijk toch maar thuis te blijven.
Soms lijkt het alsof er vanbinnen een complete vergadering gaande is.
We kunnen dat zien als een probleem — alsof een mens één helder en consistent ik zou moeten zijn. Maar misschien wijst die innerlijke veelstemmigheid juist op iets heel menselijks. Misschien zijn we geen strak geheel, maar een levend samenspel.
In dat samenspel keert vaak één spanning steeds terug: ons verlangen naar verbinding en hechting, én ons verlangen naar vrijheid — de ruimte om onszelf te zijn.
In ons boek noemen we die innerlijke dynamiek het interne gezin. Niet als diagnose, maar als een herkenbare manier om naar onszelf te kijken. In ons leeft een spontaan en voelend deel: het authentieke kind. Er is een deel dat regelt, anticipeert, zich aanpast en zich wil profileren: de strateeg. En er is een deel dat waakzaam wordt zodra het te spannend wordt: de overlever.
Hoe vroeg die spanning kan beginnen, zie je soms in iets heel alledaags.
Een peuter zit op de grond en zoekt contact met zijn moeder. Hij kijkt op, maakt geluidjes en reikt met zijn handje. Maar zijn moeder is met iets anders bezig. Haar ogen dwalen af, en haar aandacht ook.
Voor een volwassene lijkt het misschien een klein moment. Voor het kind is het groot.
Het kind voelt een diepe impuls: zie mij, hoor mij, blijf bij mij. Als dat contact uitblijft, ontstaat onrust. Het lijfje spant zich. Het kind maakt meer geluid, trekt aan haar arm en begint misschien te jammeren of te huilen. Niet omdat er iets mis is met het kind, maar omdat het wanhopig probeert de verbinding te herstellen.
Precies daar zien we al iets van die innerlijke dynamiek ontstaan.
Het authentieke kind verlangt naar nabijheid.
De strateeg probeert van alles uit: zachter, harder, liever, grappiger, dringender.
En als de spanning te groot wordt, verandert de strateeg deels in een overlever: paniek, verkramping, aanpassen, terugtrekken of controle willen houden.
Zo leert een mens soms al heel vroeg iets ingrijpends: verbinding is niet vanzelfsprekend. Soms moet je jezelf aanpassen, inhouden, versterken of groter maken om iemand dichtbij te houden.
Veel van onze latere stress wortelt daarin. Niet omdat we zwak zijn. Niet omdat er iets mis is met ons. Maar omdat oude overlevingspatronen ooit nodig waren en later zijn blijven meedoen — ook wanneer ze ons niet meer helpen en ons zelfs in de weg gaan zitten.
Vanuit boeddhistisch perspectief begint inzicht niet met oordelen, maar met opmerken. Met aandacht die mild genoeg is om te zien wat er in ons gebeurt, zonder het meteen weg te drukken of te willen repareren.
Misschien merk je in jezelf een deel dat wil presteren.
Een deel dat bang is om afgewezen te worden.
Een deel dat verlangt naar rust.
Of een deel dat eindelijk vrij wil ademen.
Wanneer we die delen alleen maar bestrijden, raakt onze binnenwereld verder verdeeld. Maar wanneer we leren kijken met mildheid, kan er iets verschuiven. Niet groots en spectaculair, maar stil. Alsof er weer wat ruimte ontstaat.
Iain McGilchrist wijst erop dat we op verschillende manieren aandacht kunnen geven. We kunnen vernauwen: analyseren, beheersen, ordenen. Maar we kunnen ook openen: het geheel zien, relaties voelen, context ervaren. Beide manieren zijn nodig. Alleen: als we onszelf uitsluitend bekijken met die vernauwende blik, gaan we onszelf al snel zien als een probleem dat opgelost moet worden.
Dan wordt stress een identiteitsverhaal: zie je wel, er is iets mis met mij.
Vanuit een ruimere, aandachtige blik kan iets anders ontstaan. Dan hoeven we onszelf niet meteen te repareren. Dan kunnen we eerst waarnemen: dit is wat er nu in mij leeft.
In ons boek noemen we de plek van waaruit dat mogelijk wordt de interne volwassene: het deel in ons dat kan luisteren naar de verschillende stemmen, zonder dat één stem de regie krijgt. Van daaruit wordt een andere vraag mogelijk: wat in mij probeert mij te beschermen — en waarom?
Misschien begint heling daarom niet met de vraag:
Wat is er mis met mij?
Maar met zachtere vragen:
Wat in mij zoekt nu verbinding?
En wat in mij zoekt ruimte om zichzelf te zijn?
En ook: wat in mij probeert me tegen te houden — en waarom?
Misschien ontdekken we dan iets eenvoudigs en bevrijdends:
er is vaak minder mis met ons dan we geloven.
We zijn vooral onderweg.
Gebaseerd op hoofdstuk 1 uit het boek Er is niets mis met mij. Ik ben onderweg van Luuk Mur en Rob van Boven.
Rob van Boven (1951) is psycholoog en geregistreerd psychotherapeut. Hij was consultant voor verschillende organisaties (drugs en verslaving counseling, vaardigheden workshops) en werkte vijftien jaar als een behandelingscoördinator in een psychiatrische instelling. Bij Rob van Boven wordt het geloof van de overlever bewust gemaakt en een juiste plaats gegeven. Het doel is om los te komen van de dwang van het geloof en bewustzijn te ontwikkelen naast deze denk- en voelpatronen. Hoe meer je van het geloof van de overlever bevrijd bent, zonder het te bestrijden, maar door het de juiste plek te geven, hoe vrijer je kan leven.
Luuk Mur ( 1952) is psycholoog en heeft een drietal boeken geschreven over de door hemzelf ontwikkelde hulpverleningsmethode communitysupport. Hij is lid van de Dzogchen Community Nederland. Dzogchen is een vorm van Tibetaans boeddhisme waarbij veel belang wordt gehecht aan de ontwikkeling van individueel bewustzijn. Bij deze traditie streeft men naar non-dualiteit van het bewustzijn. Mensen zijn zich niet alleen bewust ( je weet dat je dit leest), maar je kunt je ook bewust zijn van dit eerste bewustzijn. Dit meta-bewustzijn wordt ‘gewaarzijn’ genoemd.


Geef een reactie