Soms raak je onverwacht in gesprek met iemand. Zomaar op straat. Voor een tuinhekje, op een bankje in het park, op een muurtje op het perron van een treinstation. Het kan overal gebeuren.
Zo af en toe mag ik samen met een ander lid van onze kleine groep historisch-vertellers optreden voor kinderen uit groep 6 of 7 van een basisschool. In ben dan Durk, dienaar van de drossaard van de stad Groningen, nachtwacht, gevangenbewaarder en hulp bij het tot laten bekennen van misdaden. Let wel, ik vertel geen verhaaltjes. Ik ben die man, gekleed in een geschiedkundig verantwoord kostuum. En nee, ik verhul mijn leeftijd nooit. In 1672, het jaar waaruit ik op raadselachtige wijze plotseling het jaar 2026 in ben geslingerd, ging niemand met pensioen. Je moest in die tijd gewoon doorwerken tot je echt niets meer kon, meestal dus tot de dood.
Durk is een goeie, eerlijke vent. Ongeletterd, want nooit naar school geweest. Hij heeft vanaf zijn derde levensjaar altijd gewerkt, van eenden opjagen, riet-snijden en helpen met mest opruimen tot dienen in het leger van de Prins en nu als nachtwacht en ‘rakker’ (oprekken van verdachten) aan toe. Durk weet wat het is om gehoorzaam te zijn aan opdrachten van meerderen. Het volgende gaat over wat ik vertel over het oppakken en vervolgens straffen van verraders bij het beleg van Groningen.
“Doet u altijd wat uw baas zegt dat u moet doen?” vraagt een meisje verbaast, ze is er bij gaan staan.
“Ja, ik doe wat mij wordt opgedragen,” antwoord ik krachtig zelfverzekerd in mijn rol als Durk.
“Dus als uw baas zegt: hang die man op, dan hangt u hem op?”
“Ja.”
De hele klas reageert. Het meisje hapt naar adem. “Dat is toch niet goed! Je mag iemand toch niet zomaar ophangen. Misschien is ie wel onschuldig!”
“Dat hoef ik niet te beoordelen. Als mijn baas zegt dat ik iets moet doen, doe ik dat. Ik ben gewoon gehoorzaam.”
“Je moet altijd zelf nadenken,” roept een jongetje. Hij kijkt triomfantelijk in het rond.
“Beweer jij nu dat ik niet zelf nadenk?” vraag ik gespeeld nijdig. “Ik denk altijd na en ik ben het ook niet altijd met anderen eens, ook niet met mijn baas… maar als hij zegt dat ik iets moet doen, doe ik dat. Dat heet gehoorzamen. Weet jij wat gehoorzamen inhoudt? Dat je luistert en doet wat je moet doen! Daar hoef ik niet over na te denken. Ik vertrouw erop dat mijn baas ook nadenkt.”
“Maar als uw baas nou verkeert denkt? Dan … “ het meisje dat eerder aan het woord was, heft haar handen ten hemel, kijkt vertwijfelt naar het plafond en zegt dan hoofdschuddend; “… Ik vind het stom!”
“O… nou ben ik dus stom,” mopper ik bozig.
“Nee, u bent niet stom .. of nou misschien wél … alles is stom. Je hangt niet zomaar iemand op. Dat is stom.” Het meisje gaat demonstratief zitten.
Als Durk leg ik nu uit waarom hij vindt dat hij goed werk doet. Het komt erop neer dat hij denkt dat mensen die bekennen vergiffenis kunnen krijgen voor ze hun straf moeten ondergaan. Door die vergiffenis komen ze in de hemel en dat is veel en veel beter dan om zonder vergiffenis voor eeuwig in de hel te belanden. De klas kijkt naar de juf. Die kijkt weer naar de figuur Durk. Die glimlacht en zegt tegen de jonge leerlingen:
“Jullie meesteres kan het vast beter uitleggen dan ik. Ik snap dat jullie het stom vinden om mensen op te hangen. Dat vind ik zelf eigenlijk ook wel … maar ja … ik ben mijn eigen baas niet, dus … misschien moet ik meer eigen baas durven zijn.”
Mijn collega neemt het woord. Zij is in de huid gekropen van de halfzuster van de veroordeelde verrader. Zij is ook al boos op mij. Gelukkig alleen zolang wij onze rollen vertolken.


Geef een reactie