Soms raak je onverwacht in gesprek met iemand. Zomaar op straat. Voor een tuinhekje, op een bankje in het park, op een muurtje op het perron van een treinstation. Het kan overal gebeuren.
Regelmatig kom ik helemaal niemand tegen wanneer ik mijn hondje (Flory) uitlaat. Als ik dan op een bankje ga zitten om haar de kans te geven rond te snuffelen, doet ze dat vrijwel nooit. Inplaats van de omgeving te verkennen, gaat ze naast me zitten. Ze harkt dan met een pootje een van mijn armen dichterbij, met overduidelijke bedoelingen. Terwijl ik haar achter de oren krabbel zeg ik:
“Waartoe ben ik op aarde?” maar krijg uiteraard geen antwoord. Daarom geef ik het zelf: “Ik ben op aarde om jou achter je oren te krabbelen!” Daarna blijft het een poosje stil, tot ik verder ga met de vraag: “Waartoe ben jij op aarde?” En omdat ook deze vraag onbeantwoord blijft, vul ik het zelf maar in “Jij bent op aarde om door mij achter je oren gekrabbeld te worden!”
Twee hondsbruine ogen kijken mij aan. Ik krijg eerst een likje en daarna staan we op om verder te gaan. We passeren een ouder echtpaar. De vrouw zit uit te puffen en de man staat er wat verloren bij. Een jongeman nadert met een jonge reusachtige Golden Retriever. Het dier is pas acht maanden!
“Wow,” zegt de vrouw. “En nu al zo groot!”
“Grootte zegt niets,” merkt de jongeman op.
“Hoe groter de hond, hoe eerder ie doodgaat,” mompelt de oudere man. “Tien, twaalf … dan heb je het wel zo’n beetje gehad.”
“Misschien,” peinst zijn vrouw. “Maar je bent vergeten dat Wolf negentien is geworden.”
“Een wolf?,” vraag ik (een beetje slechthorend, dan krijg je misverstanden).
“Nee… Wolf! Dat was onze eerste hond. Een grote Duitse herder. Die werd tegen ieders verwachting in negentien!”
“Negentien!” herhaalt de man, “maar uiteindelijk ging ie toch dood.”
“Alles en iedereen gaat een keertje dood,” zegt de jongeman opgewekt. “Vroeg of laat, jong of oud… groot of klein… maakt allemaal niks uit.”
Ik kijk eerst naar de jongeman en daarna naar zijn hond. Beide jong, op hun eigen manier. Ik denk dat de knul gelijk heeft: het maakt niks uit. Alles en iedereen gaat een keertje dood. Ik besluit door te lopen en strijk verderop weer op een vrijstaand bankje in het bos neer. Flory springt naast mij en met haar pootje harkt zij weer een arm naar zich toe. Automatisch begin ik haar achter de oren te krabbelen.
“Ik was net niet volledig,” mijmer ik hardop in haar richting. “We zijn op aarde om te krabbelen en gekrabbeld te worden, en we zijn hier om uiteindelijk een keer dood te gaan. Maakt allemaal niks uit…”


Geef een reactie