Als je tot je door laat dringen wat de mensheid aan religieuze ideeën en praktijken heeft voortgebracht, dan duizelt het je. Het meest merkwaardige daarbij is niet eens de hoeveelheid en de immense verscheidenheid. Het aparte is vooral dat de veelheid geen belemmering blijkt te zijn voor de eigen waarheid. De exclusiviteit lijdt niet onder de willekeur die hoort bij de keuzeruimte op de religieuze markt.
De verscheidenheid is zelfs zo groot dat wat in de ene religie normaal is, in de andere juist taboe kan zijn. In het ene geval moet je je hoofd bedekken als je in het heiligdom bent, in het andere juist niet. Of als man niet en als vrouw weer wel, of omgekeerd. Er zijn religies waar men een bepaald dier offert, terwijl gelovigen van een andere religie datzelfde dier zo vereren dat het absoluut niet gedood mag worden.
Dit zijn dan ogenschijnlijk beperkte gewoontes. Maar ook als het om diepe levensvragen gaat, lopen de keuzes uiteen. Voor sommige religies is het mensenleven eenmalig, voor andere herhaalt het zich juist in de afwisseling van leven en dood. Er zijn religies die een overduidelijk beeld hebben van het leven na de dood, andere die daar minimaal betekenis aan geven. Ook als het om de grote lijnen gaat, overwegen dus verscheidenheid en tegenstelling.
Hoe is dat zo gekomen? Op zich zijn de problemen waar religies een duiding aan geven algemeen menselijk. Alle mensen hebben te maken met dezelfde fenomenen die hen overstijgen: ziekte, dood, het kwaad, een onmetelijke ruimte, een problematisch zelf. Dat universele overstegen worden zou eerder gemeenschappelijkheid dan verscheidenheid met zich mee kunnen brengen. En toch is er vooral variatie, zij het op steeds dezelfde thema’s.
Kennelijk zit er geen rem op het menselijke vermogen om de eigen werkelijkheid van betekenis te voorzien. Soms kun je denken dat alle gedachten al gezegd zijn, alle gedichten al geschreven, alle muziek al gecomponeerd, alle romans al bedacht, en dus alle religies al uitgevonden. En toch stroomt de betekenisgeving verder, ook met nieuwe religies. Geen rem dus.
Maar waar komt dan de exclusiviteit vandaan die doet alsof een waarheidsclaim normaal is? Waarom schrijft men waarheid met een hoofdletter, terwijl het aanbod aan betekenisgeving zo enorm is dat je verscheidenheid met louter hoofdletters zou kunnen schrijven? Wat is de basis van dat ene ware, naast al die andere mogelijkheden? Waarom zou in de ijssalon dat ene smaakje het enige lekkere zijn, terwijl er nog dertig andere prima smaken leverbaar zijn?
Dat zou kunnen komen doordat macht gebruikt wordt om die ongebreidelde betekenisgeving overzichtelijk en dus leefbaar te maken. Religieuze leiders versimpelen het oneindige repertoire tot een beperkt systeem voor denken en gedrag. Die dienstverlening maakt samenleven een stuk gemakkelijker. Niet alleen het zingevende individu vindt zodoende iets bij religie, er is ook een sociaal effect. Als jouw religie in jouw cultuur zegt hoe het zit, hoef je dat allemaal niet meer zelf te bedenken en is het deel van je socialiserende opvoeding. Handig voor de meesten, maar wel een dwangbuis voor sommigen.
Daar komt bij dat rechtzinnige machthebbers nogal vaak hun ambt prolongeren. Dan krijgt een religieus systeem eeuwigheidswaarde, en de leiders erbij. Institutionalisering temt zo de onbeperkte betekenisgeving.
Meer speelruimte is er in vrijzinnige religies. Daar valt meer te kiezen. Regelmatig duiken nieuwe inzichten en gedragspatronen op, en niet alleen als de tijden veranderen. Er wordt ook gekeken naar andere religies en wat die aandragen aan visies, rituelen, teksten, gebeden. De waarde van ruime betekenisgeving wordt gezien.
Kortom: Het duizelingwekkende religieuze vermogen kan gelovigen niet alleen scheiden maar ook verbinden.


Geef een reactie