Soms raak je onverwacht in gesprek met iemand. Zomaar op straat. Voor een tuinhekje, op een bankje in het park, op een muurtje op het perron van een treinstation. Het kan overal gebeuren.
“Zal ik het even voor u doen?” vraag ik het kleine mensje in haar scootmobiel. Ze probeert een zakje GFT-afval in de klep van een ondergrondse container te deponeren. Dat lukt niet echt, want de klep zit voor haar veel te hoog. Ik neem het groene zakje bio-plastic-(afbreekbare)-zakje in ontvangst open de klep en …klaar.
“Precies wat ik al tegen die lui heb gezegd toen ze hem plaatsten…”, bromt een man die aan is komen lopen. “Ik snap ook nog steeds niet waarom die oude container vervanger moest worden. Dit kan alleen maar door een idioot achter een bureau zijn bedacht.”
Hij heeft het over een in mijn buurtje algemeen gevoeld misnoegen. Er was een ondergrondse GFT container die ons prima beviel. Grote klep op heuphoogte. Gemakkelijk door iedereen te gebruiken: open, GFT afval erin, dicht…klaar. Maar de gemakkelijk te bedienen container met grote klep voldeed de ophaaldienst blijkbaar niet. Zonder enig overleg met gebruikers werd de situatie gewijzigd. Er staan nu twéé stort’torentjes’. Smaller, hoger en met kleinere kleppen. Het gevolg? Vanuit een scootmobiel kun je de kleppen amper bereiken, laat staan dat je erin kunt kijken om te zien of alles goed gaat. Ook mensen die kleiner zijn dan 165 cm kunnen dat niet. Het komt daardoor regelmatig voor dat er iets misgaat. Dan blijft er bijvoorbeeld een takje of bos verlepte bloemen met stevige stengels in de klep vastzitten.
“Ik heb het gemeld bij de gemeente,” zegt de dame in de scootmobiel.
“O, dan komt het vast goed!” grimlacht de man cynisch. Hij wijst naar de container voor restafval naast de GFT bakken. “Die container is al lang kapot… Het ding gaat niet open of dicht. Ik zet mijn zakken er tegenwoordig gewoon naast.”
“Die worden gewoon opgehaald,” merk ik op. “Heeft u de storing gemeld?”
“Nee. Nou ja… één keer. Aan een tweede keer begin ik niet meer. Ze zoeken het maar uit.”
“Waarom niet?”
“Waarom niet? Waarom niet? Omdat ik de storing telefonisch heb gemeld bij de gemeente waar wij onder vallen. Dat moest via de website, kreeg ik te horen. Ik zei toen dat ik het telefonisch wilde doen en dat aangezien ik nu toch iemand aan de lijn had… nou dan … Toen wilde de man die mij te woord stond het nummer van de container weten. Alsof ik dat wist. Ik vroeg toen of hij even wilde wachten omdat ik voor dat nummer naar de container moest lopen om het op te zoeken. Enfin… toen wilde hij de plaats weten waar die container precies stond enzovoorts. En als laatste moest ik mijn emailadres opgeven zodat ik bericht kon krijgen als het probleem was verholpen.” De man wachtte even.
“En … ?” vroeg ik nieuwsgierig.
“De volgende morgen kreeg ik van een andere gemeente bericht dat de storing in een andere plaats, op een andere plek van een andere container met een ander nummer was verholpen. Daarna nooit meer iets vernomen.”
De vrouw schoot in de lach. “Verbaasd me niet. Je moet zoiets voortaan maar weer via de computer melden. De man die jij blijkbaar aan de telefoon hebt gehad, zat misschien wel ergens in India of Suriname en had geen idee hoe de situatie hier is.”
“Nee, nee… hij zat gewoon in onze eigen gemeente,” reageert de man. “Het was geen helpdesk… Helpdeskmedewerkers zitten inderdaad regelmatig in India of Suriname.. (Hij doet een buitenlands accent na) Waarmee kan ik u helpen?”
“Maar uw zakken met restafval zijn wel opgehaald,” zeg ik nog maar eens. “Of alsnog in de container gedeponeerd.”
“Klopt, maar ophalers zijn geen reparateurs. Probeer maar. De klep gaat niet open, ook niet wanneer je je afvalpas er op hebt gelegd. Je hoort klik… en dan kom je niet verder dan de helft open. Dan blokkeert de boel. Maar ik meld niks meer. Ze halen het maar weer op. Ik hoef niet te horen dat er ergens in Verweggistan een probleem met container ‘nummer zoveel’ is opgelost. En dit…”, hij wijst op de hooggeplaatste kleppen van de GFT ‘torens’, “dit is vast bedacht door een doorgeschoten slungel van twee meter of langer.” Na deze woorden beent hij brommend weg.
De vrouw in de scootmobiel kijkt naar mij op. Ze knikt. Ik vermoed dat ze het met hem eens is. En ik zal het niet tegenspreken.


Geef een reactie