Na Adam en Eva begint het echte werk pas.
Het paradijsverhaal eindigt in veel hoofden bij de poort: ze moesten eruit, klaar. Maar je kunt het ook lezen als het begin van volwassenwording. Wat gebeurt er met een mens zodra hij zichzelf als “ik” ervaart—met vrijheid, kwetsbaarheid en verantwoordelijkheid?
Bewustzijn opent keuze. Keuze opent vergelijking. En vergelijking wekt spanning: ben ik gezien—ben ik genoeg? Zodra er “ik” verschijnt, verschijnt ook het hechten: aan beeld, aan waardering, aan zekerheid. Misschien is dat waarom op Adam en Eva geen nieuw wonder volgt, maar een broederpaar: Kain en Abel. Alsof het verhaal zegt: zodra de wereld opengaat, gaat ook het strijdtoneel open—niet alleen buiten ons, maar ook binnenin.
Kain en Abel zijn geen losse symbolen. Het zijn broers. Het verhaal gaat over echte daden en echte schade. Juist daardoor werkt het als spiegel: wat tussen mensen gebeurt, begint vaak in een hart.
Tegelijk kun je die twee broers lezen als twee houdingen in één mens. Abel staat voor ontvankelijk leven: aanwezig zijn, in relatie, met open handen—ook kwetsbaar, ook niet in controle. Kain staat voor leven vanuit grip: meten, wegen, controleren—jezelf aftasten aan de blik van de ander, of aan wat je dénkt dat het leven van je vraagt. Niet omdat hij “slecht” is, maar omdat hij zich onveilig voelt waar verbondenheid ontbreekt.
Dat zie je in het offer. Beiden brengen iets. Toch ontstaat er een breuk: er wordt omgezien naar Abel en zijn gave, en niet naar Kain en de zijne. Waarom? Het verhaal geeft geen formule. Het verlegt de aandacht naar wat er in Kain gebeurt wanneer hij dit ervaart als afwijzing.
Zonder Abel raakt Kain de verbinding kwijt—met God, met zichzelf, met “paradijs” als kwaliteit van aanwezigheid. Schaamte kan, als ze geen bedding vindt, omslaan in wrok. Niet: ik ben, maar: ik ben minder. In boeddhistische termen: dukkha ontstaat niet alleen door wat ons overkomt, maar door de manier waarop we het vastpakken en er een zelfverhaal van maken. Het wordt lichamelijk beschreven: hij wordt boos en zijn gezicht betrekt. Zo menselijk dat het bijna ongemakkelijk dichtbij komt.
Dan gebeurt iets wezenlijks. Er is geen zwijgende hemel. Kain wordt aangesproken, niet vermeden. Er klinkt een waarschuwing: de neiging om weg te glijden in destructie ligt voor de deur, maar je bent niet machteloos. Er is een ruimte tussen gevoel en daad. In die ruimte—waar opmerkzaamheid kan landen—ligt keuze. Niet de keuze om geen boosheid te voelen, maar om er niet door geleid te worden.
En toch kiest Kain de weg die we herkennen wanneer pijn geen bedding vindt: niet de pijn dragen, maar de relatie verbreken. Als de ander verdwijnt, hoeft het tekort niet gevoeld te worden. Soms is dat letterlijk en gewelddadig. Vaker is het stiller: een scherpe opmerking, een dichtgeklapt hart, een wegkijken. Het geweld is niet altijd zichtbaar; de beweging ernaartoe vaak wel: verkramping, gelijk willen krijgen, de ander reduceren tot probleem.
Hier helpt de taal van het interne gezinsmodel. In ons leven verschillende “delen” met elkaar samen, als in een innerlijk huishouden. Wanneer kwetsuur dreigt, kan een beschermer het stuur overnemen: het deel dat wil oplossen, beheersen, afsluiten. Het doet dat niet uit slechtheid, maar uit angst. En angst zoekt houvast. Begrip daarvoor is geen vrijspraak; het verklaart de beweging, maar heft de verantwoordelijkheid niet op.
Wat daarbij vaak naar de achtergrond verdwijnt, is “Abel”: het deel in ons dat kan vertrouwen, ontvangen, zacht blijven. Het deel dat niet eerst hoeft te controleren voordat het zich verbindt. Het deel dat nog toegang heeft tot een niet-verkrampt hart—tot metta, liefdevolle vriendelijkheid; tot compassie; tot het vermogen om de ander niet te verwarren met je eigen angst.
Dan klinkt de vraag: “Waar is je broer?” Geen speurvraag, maar een verbondsvraag. Niet: wat is er gebeurd? Maar: waar is de ander in jouw wereld gebleven? En tegelijk, als spiegel: waar is jouw vermogen tot verbondenheid gebleven? In de praktijk van aandacht is dit een herkenbare vraag: waar ben ik geraakt? Waar ben ik verstijfd? Waar heb ik de ander verlaten—misschien al in mijn denken?
Kain antwoordt: “Ben ik mijn broeders hoeder?” Precies dat woord “hoeder” raakt aan het begin van het verhaal. In de tuin werd de mens geroepen om te bewerken én te bewaren. Om zorg te dragen, niet alleen voor de aarde, maar ook voor elkaar. Hoeden is geen controle, maar aandacht. Geen macht, maar nabijheid. Het lijkt op wat in het boeddhisme soms wordt bedoeld met juist handelen: handelen dat het lijden niet vergroot, maar verzacht.
Wanneer hoeden verandert in beheersen, wordt de prijs isolatie. De woestijn zit dan niet alleen buiten je, maar ook in je. Je staat op eigen grond, maar zonder schaduw. En in de woestijn gaat de geest makkelijk herhalen: ik sta alleen, dus ik moet hard worden.
Misschien is dat de volwassen opdracht na de appel: niet terug naar onschuld, maar vooruit naar integratie. Niet doen alsof Kain er niet is, maar hem herkennen als de angstige beschermer die hij is. En tegelijk Abel weer ruimte geven—niet als zwakte, maar als dat deel waardoor we mens blijven.
Dat vraagt oefening. Niet in de zin van een ideaalbeeld, maar in de eenvoudige discipline van opmerken: dit is schaamte; dit is wrok; dit is de neiging om te verharden; dit is het deel dat wil controleren. En dan: één adem ruimte. Eén stap terug van het automatisme. Zodat het hart niet meteen hoeft te sluiten.
Zolang Kain en Abel vijanden blijven, buiten ons en binnen ons, blijft het paradijs buiten bereik. Niet als een plek achter een poort, maar als een kwaliteit van aanwezigheid. Wakker zijn is verantwoordelijkheid nemen: niet alleen voor wat je doet, maar ook voor wat je in jezelf buitensluit.
Misschien is broederhoeder zijn precies dat: waken over de verbinding—met de ander, met de wereld, met jezelf—vóór je haar verliest. En als je haar toch verliest: terugkeren, opnieuw beginnen. Zoals elke meditatie dat leert.
Rob van Boven (1951) is psycholoog en geregistreerd psychotherapeut. Hij was consultant voor verschillende organisaties (drugs en verslaving counseling, vaardigheden workshops) en werkte vijftien jaar als een behandelingscoördinator in een psychiatrische instelling. Bij Rob van Boven wordt het geloof van de overlever bewust gemaakt en een juiste plaats gegeven. Het doel is om los te komen van de dwang van het geloof en bewustzijn te ontwikkelen naast deze denk- en voelpatronen. Hoe meer je van het geloof van de overlever bevrijd bent, zonder het te bestrijden, maar door het de juiste plek te geven, hoe vrijer je kan leven.
Luuk Mur ( 1952) is psycholoog en heeft een drietal boeken geschreven over de door hemzelf ontwikkelde hulpverleningsmethode communitysupport. Hij is lid van de Dzogchen Community Nederland. Dzogchen is een vorm van Tibetaans boeddhisme waarbij veel belang wordt gehecht aan de ontwikkeling van individueel bewustzijn. Bij deze traditie streeft men naar non-dualiteit van het bewustzijn. Mensen zijn zich niet alleen bewust ( je weet dat je dit leest), maar je kunt je ook bewust zijn van dit eerste bewustzijn. Dit meta-bewustzijn wordt ‘gewaarzijn’ genoemd.


Geef een reactie