Soms raak je onverwacht in gesprek met iemand. Zomaar op straat. Voor een tuinhekje, op een bankje in het park, op een muurtje op het perron van een treinstation. Het kan overal gebeuren.
Volgens mijn dochter ben ik niet consequent, en daar geef ik haar gelijk in. En ik ben ook niet altijd eerlijk, en dat kan ik eveneens alleen maar bevestigen. Als ik dat doe, dat gelijk geven en bevestigen, krijg ik te horen dat ik haar niet serieus neem en als ik dat tenslotte niet ontken, wordt ze boos.
“Je bent onmogelijk!” werpt ze me voor de voeten.
“Dat zijn we min of meer allemaal,” reageer ik glimlachend. “Het is een godswonder dat we er zijn. Moet je nagaan: een enorme knal, dan heel lang niks anders dan een soort soep van rondvliegende deeltjes en plots komt er zoiets als leven. Dat leven neemt allerlei vormen aan, van amoebe tot Tyrannosaurus Rex, en als zo’n 99% van alles wat geleefd heeft is uitgestorven, is daar ineens Homo Sapiens, onder andere in de vorm van jou en mij. Wij kijken wat rond, doen een plas en gaan weer dood. Wonderbaarlijk… echt waar.”
“Hmm,” schampert dochterlief, “Ik geloof niet dat jij dat allemaal echt gelooft.”
“Dat hoef jij ook niet te geloven, zolang ik dat zelf maar geloof. Jij kunt niet voor mij geloven en ik kan dat niet voor jou. Geen mens kan voor een ander geloven, net zo min als eten, drinken, tanden poetsen of scheten laten.”
“Met jou valt niet te praten. Je neemt niets serieus…”
Ik kijk haar met opgetrokken wenkbrauwen aan, tot ze uitroept “Wat kijk je nou? Het is toch zo?” Ik probeer mijn wenkbrauwen nog wat extra op te trekken maar dat lukt niet. Ik zucht en zeg tenslotte: “Dat ben ik niet met je eens. Ik ben toevallig bloedserieus. Geef jij dan eens eerlijk antwoord: Als jij iets eet, wordt een ander daar dan dikker, sterker, verzadigder of wat ook van?”
“Nee, natuurlijk niet”.
“En als jij iets drinkt, wordt een ander daar dan minder dorstig, minder uitgedroogd, natter of frisser door? En wanneer jij jouw eigen tanden poetst, worden de tanden van een ander daardoor dan schoner? En wanneer jij een scheet laat, voelt een ander zich dan wat meer opgelucht?”
“Nee, nee, nee…”
“Precies. Zo kun jij ook niet voor een ander geloven. Dat moet die ander zelf doen, en dat doet ie ook, of ie dat nou zelf doorheeft of niet. Iedereen heeft eigen overtuigingen of zoiets als een geloof. Zelfs iemand die beweert niets te geloven, gelooft, namelijk in niets. Het is onmogelijk om niet te geloven. Althans, zolang je leeft.”
“En daarna?”
“Weet ik niet. Geen idee!”
Ik hoor een diepe zucht. “Wat geloof jij dan… voor na de dood? Wat is er dan? Waar ben jij dan? Ben je dan weg? Gewoon … pfft … opgelost of wat?”
Mijn wenkbrauwen zijn tot gewone boogjes boven mijn ogen gezakt. Ik glimlach, denk even na en zeg dan:
“Volgens mij gaat er niets en niemand verloren. Voor ik er was, was alles er al en nadat ik ben gestorven zal alles er nog steeds zijn. De vormen waarin alles is wat het is, veranderen voortdurend. Ik heb nu geen idee waarom, waartoe, waaruit en waarin en ook niet hoe. Alles is er nu ook, in de vormen van zonnen, planeten, door het heelal suizende ijsklompen en wat al niet. En het is hier op aarde in de vormen van planten, dieren, insecten en de vormen van jou en mij. Wij zijn geboren en wij gaan dood. Maar er is nooit een moment geweest waarop wij niet waren en er zal nooit een tijd komen dat wij niet zijn.”
Het blijft stil.
“Niets is consequent hetzelfde en eerlijk noch oneerlijk. Het enige dat misschien consequent is, is verandering. Misschien! Want als ik echt, echt …ECHT heel eerlijk ben, kan ik alleen maar zeggen dat ik dat niet zeker weet.”


Geef een reactie