Er was eens een megastad, Mundo. Er woonden bijna tien miljard mensen, verdeeld over zo’n tweehonderd wijken. Vroeger, toen er nog niet zoveel inwoners waren, lagen die wijken ver uiteen. Soms wisten wijkbewoners niet eens van het bestaan van andere wijken. Maar toen de bevolking toenam, groeiden de wijken naar elkaar toe. Uiteindelijk woonde iedereen in één megastad.
Omdat alle wijken nu met elkaar te maken hadden, ontstond steeds meer gedoe. Er was namelijk regelmatig onenigheid over grenzen, schaarse grondstoffen, handelsregels, arbeidsomstandigheden, en dus macht. Voor wie het nog niet weet: macht is het vermogen het gedrag van anderen te bepalen, zelfs tegen hun wil. Elke wijk had een eigen machthebber die men Capo noemde. Iedere Capo had als stelregel ‘Eigen wijk eerst, en daarna zien we wel’.
Ideaal waren de machtsverhoudingen daardoor niet. Meestal was er sprake van een gewapende vrede. Elke wijk had een eigen militie die om de zoveel jaar de oorlogscyclus opvoerde: uitdagen – aanvallen – vernietigen – wapenstilstand – vrede. Men wist niet beter.
Middels oorlog en vrede, en weer oorlog, kregen een stuk of wat wijken meer macht dan alle andere. Ze groeiden vooral omdat ze veel van de minder machtige wijken direct of indirect inlijfden. Dat gebeurde meestal vreedzaam, wat een mooi woord was voor geniepig. Maar Capo’s stuurden ook wel hun militie op een andere wijk af. De machtigste wijken stonden al snel bekend als Supermachten. Hun Capo’s waren echte bovenbazen. ‘Zo werkt macht nu eenmaal’, zeiden die, nauwelijks verontschuldigend.
Op een dag werd in een van de Supermachten een nieuwe Capo gekozen. Zijn naam was Troef. Hij won met de leuze ‘Speel de Troefkaart!’. Troef was zijn hele leven makelaar in wolkenkrabbers geweest, en had daar stevig mee verdiend, hoewel niet altijd op een nette manier. Hij vond de tijd gekomen om Capo te worden. Wat hij van zakendeals had begrepen, wilde hij in de politiek toepassen.
Daarmee begon voor Mundo een heel nieuwe periode. Troef blonk namelijk uit in tegenstrijdigheid, onvoorspelbaarheid en een geheel eigen omgang met waarheid en leugen. Hij leed aan zelfoverschatting en vond zichzelf een Super-Capo. Hij poseerde als een diepgelovige, maar de tien geboden verving hij door deze vier: ‘Niet dienen maar verdienen’; ‘Je vijand haten, niet liefhebben’; ‘Altijd gelijk hebben, ook als je ongelijk hebt’; en samenvattend: ‘Je bent je eigen moraliteit’.
Hij was nog maar kort aan de macht of rechters, advocaten, journalisten, wetenschappers en kunstenaars werden onder druk gezet om naar Troefs pijpen te dansen. Vriendjes werden voorgetrokken, vooral als ze fors meebetaald hadden aan zijn verkiezingscampagne. Tegenstanders kregen rechtszaken aan hun broek. Kranten en Tv-zenders die kritisch rapporteerden over Troef konden rekenen op een stevige schadeclaim.
Zijn eigenzinnige beleid betrof niet alleen zijn thuiswijk, maar raakte heel Mundo. Troef begon zich als een roofridder te gedragen. De handelsregels herschreef hij, uiteraard in zijn eigenmachtige voordeel. Zijn wijk had de grootste militie binnen Mundo en dat kwam hem goed uit. Ermee dreigen was al genoeg om hem zijn zin te laten krijgen.
Als Super-Capo bemoeide hij zich ook met conflicten in andere wijken van Mundo. Konden demonstranten in Troefs eigen wijk rekenen op traangas, die in andere wijken kregen zijn steun. Probeerde een wijk een naburige wijk in te lijven met geweld, dan dwong hij de partijen tot een soort wapenstilstand. De overeenkomst bevatte altijd een clausule die Troefs wijk toegang gaf tot lokale schaarse grondstoffen. Ook zorgde hij steeds voor een voordeeltje voor zijn eigen makelaardij en de business van zijn vriendjes.
Ondanks al dat vrede stichten liet Troef ongegeneerd blijken dat hij het kunstje om een wijk in te lijven ook wel beheerste. Hij stuurde dan zijn militie naar een naburige wijk om de plaatselijke bodemschatten te claimen. De lokale Capo liet hij meteen maar ontvoeren. Sowieso zei hij wekelijks hardop welke andere wijken hij wel interessant vond, bevriende buurten inbegrepen.
De andere Capo’s reageerden uiteenlopend op Troefs gedrag. Stoutmoedigen zeiden: wat hij kan, kunnen wij ook, en harder. Realisten zeiden dan ook: reken er maar op dat dit het nieuwe normaal wordt, overal. Anderen trokken de strooppot open. Weer anderen deden hun best Troef en zijn strapatsen te negeren, maar ze voelden zich stiekem wel onder druk gezet.
Economen stelden: dit duurt maar even, want dit loopt hartstikke fout. Echte democraten adviseerden: heb geduld tot de eerstvolgende verkiezingen. Pessimisten reageerden daarop: die schaft hij nog wel even af. Psychiaters gaven hun diagnose: Troef is een gevaarlijke narcist, verslaafd aan macht en dus aan dopamine; afzetten die man, en snel opnemen in een kliniek.
Troef zelf denderde gewoon door. Hij had zijn eigen routine. Elke dag na het ontbijt lachte hij eerst een kwartier in zijn vuistje. Daarna stond hij een kwartier voor de spiegel en genoot van het uitzicht. Tijdens het derde kwartier verkondigde hij op zijn eigen social hoe verpletterend goed hij wel was. Het vierde kwartier ging hij kijken of de nieuwe ballroom in zijn paleis al opschoot.
En zo leefden de mensen in Mundo nog lang en ongelukkig.


Geef een reactie