Ik ben weer aan het werk. De pers is de koningin der aarde, maar de journalistiek is niet altijd verheffend. Theodor Holman schreef: ‘Maar dat is de journalistiek: je bent de beul die zich verheugt op het aanleggen van de strop, maar bedroefd is dat hij die om de nek van zijn vader moet leggen.’
Niettemin zou ik niets anders willen doen. Mijn status van freelancer voorkomt dat ik in een kantoorgebouw onder een systeemplafond moet zitten, in het achterhaalde concept van de redactievloer. En ik leef van mijn pen, altijd al mijn droom.
Mijn kamer – ik heb er maar 1 – is mijn hoofdkwartier, en uitvalsbasis. De straat is stil, het dorp zen, en de mensen goedaardig. Ik zou hier oud willen worden, maar mijn zoon roept mij. Hij vindt het gewenst als ik dichterbij Amsterdam kom wonen, zodat mijn beschikbaarheid als vader toeneemt. En wie ben ik om hem tegen te spreken.
In mijn kamer creëer ik de mogelijkheid van een eiland. Een Houellebecqiaans epicentrum van concentratie en afzondering. Hier leef ik mijn Walden, een solitair experiment in afgeleide communicatie. Tot mijn zoon met zijn 14-jarige kosmos 14-daags bij me komt binnenvallen.
Het is waar dat ik niet meer beschik over de donkerblauwe Volvo S70, met vervuilende dieselmotor zonder filtermogelijkheid, die ik Linda had gedoopt. Begrotelijke vakanties en dito restaurants ken ik niet meer. Ik leef zowat van muesli met noten, maar gelukkig nu zonder midlifecrisis, labiele ontsporingen en zelfdestructief verslavingsgedrag.
Ik heb de mogelijkheid van een eiland onderzocht, en gevonden.


Geef een reactie