‘Even na twaalven werd hij erg zenuwachtig, toen was er gepind. Ze zouden niet meer terug komen, hij stond er alleen voor. Hij wilde me opnieuw knevelen, ik moest mijn handen naar voren steken. Ik dacht, ja, maar dan ben ik hulpeloos. Ik ging in de meditatie zit en dacht na. Werd erg rustig. Als in een vertraagde film sprong ik op hem af. Zijn pistool lag op tafel. Het was nu of nooit, ik wilde vrij zijn, als de anderen zouden terug komen wist ik niet wat er zou gebeuren. Hij gooide mij op de grond en weer sprong ik op hem af. Stompte hem tegen de tafel aan. Hij draait zich om, pakt zijn telefoon en pistool en loopt naar buiten. Hij rechts, ik links. Bij de buren is de politie gebeld.’

