In kaas kun je gaten maken maar van gaten geen kaas.
‘Waarmee kun je het leven vergelijken, Hans?’
‘Met water.’
‘Hoezo?’
‘Hoe hard je ook karnt, je kunt er geen kaas van maken.’
‘Bedoel je dat het leven een mysterie is?’
‘Dat beweren is een poging om er kaas van te maken.’
‘Bedoel je dat de waarheid voorbij de woorden is?’
‘Dat ook.’
‘Bedoel je dat er geen waarheid is?’
‘Dat ook.’
‘Bedoel je dat het is zoals het is?’
‘Dat ook.’
‘Bedoel je dat we keuzeloos gewaar moeten zijn?’
‘Dat ook.’
‘Bedoel je dat er niets te doen valt?’
‘Pfft.’
‘Of zelfs maar te laten?’
‘Man man.’
‘Bedoel je dat er niets te weten valt?’
‘Hoelang gaat dit nog door?’
‘Of zelfs maar te vergeten?’
‘Schei toch uit.’
‘Bedoel je dat er niets te zeggen valt?’
‘Jij houdt niet op hè?’
‘Of zelfs maar te zwijgen?’
‘Ik zeg niets.’
‘Wat bedoel je dan, Hans?’
‘Ja, wat zeg ik nou.’
‘Bedoel je soms niets?’
‘Ik geef het op.’
‘Doel je op niet-bedoelen?’
…
‘Doel je op het niets?’
…
‘Verdorie.’
‘Wat nu weer.’
‘Ik kan er geen kaas van maken.’
‘Neem anders een slokje water.’

