Over het onnavolgbare verband tussen geluk hebben en gelijk hebben.
‘Wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk, Hans, en wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk.’
‘Zoek je nu het gelijk of het geluk?’
‘Ik eh… o.’
‘Ik dacht al zoiets.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Waarover?’
‘Over het verband tussen geluk en gelijk.’
‘Soms word je gelukkig van je gelijk of van je ongelijk, soms ongelukkig, soms beide, soms geen van beide.’
‘Je hebt helemaal gelijk.’
‘Wat een geluk.’

