Antropologen bestuderen menselijke culturen en de ontwikkeling van de mens als onderdeel van een maatschappij. Deze serie artikelen in het Boeddhistisch Dagblad pretendeert niet volledig te zijn. Over vrijwel ieder thema valt ontegenzeggelijk veel meer te zeggen, en bepaalde zaken komen zelfs niet of nauwelijks aan bod. Voor wie door deze serie in antropologie geïnteresseerd raakt, is er meer dan genoeg boeiende, verdiepende literatuur te vinden.
In het voorgaande artikel heb ik het over geld gehad. Ook boeddhisten komen gedurende hun aards bestaan met geld in aanraking. Als boeddhist maak je nu eenmaal deel uit van een wereldwijd financieel systeem. Hoe kun je je daar op een goede manier toe verhouden? Je kunt voor ‘geld’ ieder willekeurig ander woord invullen. Geld op zich is geen probleem, net zo min als een tafel, een stoel, een bord of een theelepeltje. Het gaat altijd om gedrag. Hoe ga je met iets om. Daar staat of valt alles mee.
Hoe en waarmee je geld verdient, bewaart en weer uitgeeft bepaal je zelf. Het is een keuze. Volgens de boeddhistische leer is het belangrijkste dat je met de wijze waarop je met alles in het leven omgaat niets of niemand schaadt, maar juist helpt. Kort samengevat: het is de bedoeling dat je het aardse beter achterlaat dan je haar bij aanvang van je leven hebt ontvangen, en als dat niet lukt: in ieder geval niet slechter! In de tijd dat er geen wettelijk geregelde oudedagsvoorzieningen waren en geen verzekeringen, was het een logisch advies om geld opzij te zetten voor toekomstige eventualiteiten. Verder stelde de Boeddha (of stelden zijn naaste volgelingen) dat je potjes moest maken voor basisbehoeften, diverse uitgaven, en liefdadigheid. En via die potjes komen we bij banken.
De eerste banken kwamen al 4.000 voor Christus op in Azië, vaak verbonden aan rijke tempels, aristocraten en handelaren, want ook vroeger trok geld al geld aan, en als je meer geld nodig had dan je op een zeker moment zelf had, kon je daar ‘lenen’. Vaak maakte de verwachte opbrengst van een oogst deel uit van de terugbetaling van een lening.
Ook de opkomst van het bankenstelsel in Europa is sterk verbonden met religieuze zaken. Zo werden in Italië mazen in de wet gevonden om vanuit het christelijke geloof met een garantie van terugbetaling geld uit te lenen. Het protestantisme (16de en 17de eeuw) moedigde de praktijk van het investeren aan en sindsdien konden onder bepaalde voorwaarden op grotere schaal leningen afgegeven worden met rente.
Moslims mogen geen geld uitlenen tegen rente. Er zijn evenwel diverse initiatieven van banken om het ook voor moslims mogelijk te maken geld te lenen: islamitisch ofwel halal bankieren genoemd. Dat gebeurt bijvoorbeeld door een gedeeld eigenaarschaps- of winstmodel aan te bieden, bijvoorbeeld via aandelen. Islamitische banken mogen ook niet investeren in alcohol en wapens of andere ‘haram’ zaken.
Er bestaat volgens mij (nog) geen ‘boeddhistisch’ bankieren, waarbij net als in het islamitisch model regels gelden voor het investeren of lenen van geld. Ik kan mij zo voorstellen dat ‘boeddhistisch bankieren’ investeren in zaken die een ‘onjuiste levenswijze’ ondersteunen zou verbieden. Dus: geen geld voor wapens, milieuvervuilende industrie, en ga zo maar door.
Is ruilhandel nu helemaal verleden tijd? Nee hoor. In bepaalde gebieden in Griekenland kun je nog altijd landgebruik of -producten kopen met olijfolie. Het gaat daarbij natuurlijk niet om kleine beetjes! Meestal handelt het om een zekere wederkerigheid, waarbij vooral de relatie tussen personen en de band met families belangrijk is. Vertrouwen is niet in geld uit te drukken.
(wordt vervolgd)


Geef een reactie