Mentaal gewaar zijn. Het herken-, voel-, wils-, en bewustwordings vermogen (eerste deel).
In de voorgaande afleveringen is besproken hoe de Boeddha materie beschrijft in termen zoals de vier grote elementen, en de daarvan afgeleide elementen. In diverse suttas preciseert hij de afgeleide materie o.a. als die van zintuig en zintuig object. Zoals de afgeleide materie van oog en zichtbare vorm. Deze tekst is materie en in het samenstelsel van oog bevindt zich materie ten dienste van het zichtvermogen. Het zesde zintuig is de geest, het denken, voelen herkennen, willen en de zes vormen van zintuigbewustzijn. In mens en dier treedt dit mentale fenomeen op met een materiele basis voor dat mentale proces. Acharn Tippakorn, een meditatieleraar stelt echter dat bewustzijn van tast wel degelijk zich ter plaatse van het zintuig bevind. Bijt maar eens zachtjes op een vinger…
Dat in het optreden van de geestes processen een onderliggende materiële component zit is de wetenschap ondertussen wel bekend[1], maar echt begrepen is het nog niet. Dat het geestelijk functioneren iets met de hersenen van doen heeft ism, gebaseerd is op materie, blijkt onder ander uit het feit dat het denken wordt minder gestructureerd als het brein aangetast wordt door bijvoorbeeld dementie zoals bij mijn vader het geval was. Het knock out gaan bij een contusie van het hoofd wijst hier ook op. De werking van anesthetica, dormica en anastesstetica, op een of andere manier staat de werking van de geest niet los van stoffen. Voor mentaal bewustwording geldt hetzelfde als voor de andere vijf zintuigen. Er is een zintuigbasis, een mentaal object en aandacht nodig. Het samenvallen van deze drie heet phassa (fase/ indruk). De geest kan net als het oog op zoek zijn naar een bepaald object. Elke dhamma (inclusief nibbāna dus) kan object worden van een mentaal bewustzijn.
Dat mentaal bewustzijn zijn eigen domein (vatthu[2]) heeft is evident. Denken aan kandij is van een andere aard als het proeven of zien ervan. Vatthu betekent filosofisch: de basis van bewustzijn
In de Abhidhamma verwijst vatthu naar de fysieke basis of het “orgaan” dat nodig is voor het ontstaan van bewustzijn (citta). Er zijn dus zes van deze basissen: de vijf zintuigen (oog, oor, neus, tong, lichaam) die eerder behandeld zijn en wat in de ommegang de hadaya-vatthu, de hart-basis genoemd wordt. De term hart basis is geleend uit het Brahmanisme. In de suttas schijnt de Boeddha wordt gezien als de zetel van de geest.
Echter in de suttas houdt de Boeddha zich opmerkelijk op de vlakte over waar de ‘zetel’ van het bewustzijn zich dan wel niet zou bevinden. De wijsheid van de dag dicteerde dat het hart de basis van de geest zou zijn. Deze terminologie wordt echter pas voor het eerst gebezigd in de abhidhamma, en er zijn aanwijzingen dat deze van iets latere datum is. Mijn leraar Dhammaviranatha houdt het erop dat hier de term ‘hart’ eerder in overdrachtelijke zin gebruikt wordt. Volgende week meer over wat er in de suttas te vinden over de geest.
[1] Ik maak even gebruik van het AI overzicht:
Het idee dat het brein de zetel is van het bewustzijn en de intelligentie (het encefalocentrisme) ontstond in de 5e eeuw v.Chr. in het oude Griekenland.
De belangrijkste vroege denkers achter deze verschuiving waren:
Alcmaeon van Croton (ca. 500–450 v.Chr.): Hij wordt vaak beschouwd als de eerste die stelde dat het brein de plek is waar de geest en waarnemingen samenkomen. Door dissecties ontdekte hij verbindingen (kanalen) tussen de zintuigen en de hersenen, wat hem deed concluderen dat het brein het sturende orgaan was.
Hippocrates (ca. 460–370 v.Chr.): In zijn geschrift Over de heilige ziekte (De morbo sacro) betoogde hij dat emoties, wijsheid en bewustzijn voortkomen uit de hersenen en niet uit het hart of het middenrif. Hij stelde expliciet dat we met de hersenen denken, zien en horen.
Waarom was dit bijzonder?
Destijds geloofden de meeste mensen dat het hart het centrum van het bewustzijn was (het cardiocentrisme), een visie die later zelfs nog door invloedrijke figuren als Aristoteles werd verdedigd. Pas in de 17e eeuw en later, door het werk van anatomen zoals Thomas Willis, werd de centrale rol van de hersenen algemeen geaccepteerd binnen de wetenschap.


Geef een reactie