Onlangs keek ik na een tijdje van afwezigheid weer naar voetbal, op televisie weliswaar omdat ik eerder beroepshalve de stadions bezocht. Het viel me niet mee, dacht ik vanaf mijn zitbank. Ik vond het een en ander nogal chaotisch, wat Feyenoord en PSV mij voorschotelden. Er was niets veranderd met de vorige keren dat ik de wedstrijden live volgde.
In tegenstelling tot wat de commentator en naderhand de analisten, trainers en betrokken spelers vertelden. Er werd veel gezegd over welke positieve tactiek ze hadden gebruikt. Meer ‘druk naar voren’, meer ‘agressie’ en ‘passie’, zoiets. Het was positief bedoeld en gemeend. Dit was goed gedaan, dat wat minder. Maar daar zou aan gewerkt worden. De analyses waren allemaal positief te noemen. Chauvinisme bereikte zijn hoogtepunt. Ongeveer wat ik de volgende dag in de kranten las.
Ik had niets van de positieve ontwikkelingen gemerkt. Ik vond het zoals gezegd nogal chaotisch, zag weinig terug wat de analisten dan wel de trainers en spelers hadden ervaren. Geen kritisch geluid, of ‘er zou wat aan gewerkt worden’.
Mogelijk durfde ik nu zowaar te denken wat ik zag, in vergelijking met wat ik vroeger had gezien. Hoezo, hoogdruk zetten, hoe zo meer verband omdat ze daar op trainden. Een enkele keer zag je een speler iets doen wat al jarenlang gebeurde. Een individualistische actie, waardoor de betreffende speler indruk maakte. Verder niets bijzonders waar ik me mee als vroegere voetballer vermaakte. Met wat geluk werd er zowaar gescoord, maar daarvan was volgens de trainers, analisten, spelers en commentatoren echt geen sprake was. Het was ‘allemaal’ goed uitgevoerd.
Ik bleef zitten kijken omdat ik in verwachting was van iets moois en of iets nieuws. Maar ik bleek geen supporter te zijn, zoals hij (of zij) zich in het stadion gedroeg. Er moest gewonnen worden, hoe dan ook. De trainers, analisten, commentatoren en spelers juichten bijna na elke actie. Hoe mooi was het niet? Zo riepen de aanwezige verslaggevers hen na.
Het ging om winnen, hoe de ploeg dat ook deed. Nou ja, als het maar afkomstig was vanuit het credo Goed Samenspel, zoals de trainer het had gezegd. Winnen, daar ging het om. Niet om de vreugde van het spel, winnen daar ging het om. Niet zoals een boeddhist het zou willen, voetballen met plezier, zoals met een mooie, een oogstrelende actie, of een individuele actie dus.
Vroeger, toen ik nog zelf voetbalde en er jarenlang over schreef, bestond dit voetbal niet, of het was wel de bedoeling geweest van de trainers. Toen kwam een doelpunt uit de lucht vallen of was er gewoon sprake van kick-and-rush, hoe dat doelpunt was gevallen deed er niet toe. Het gebeurde gewoon.
Misschien beleefde ik het voetbal anders, keek ik met ogen naar het voetbal zoals je dat deed. Hoe de tegenstander speelde, wie de tegenstander was; daar ging het om. Misschien ben ik anders geworden, keek ik met andere ogen en kijk ik nu als een buitenstaander, zonder een shirt van mijn club aan. Zoals een supporter dat doet en zoals de verslaggevers dat graag optekenden, zo bleek.


Geef een reactie