Soms raak je onverwacht in gesprek met iemand. Zomaar op straat. Voor een tuinhekje, op een bankje in het park, op een muurtje op het perron van een treinstation. Het kan overal gebeuren.
Dichte mist in de avondschemering. Ik zie twee donkere gestalten opdoemen: een grote midden op het fietspad en een kleinere die van links naar rechts gaat. Het blijken een vrouw met een hond te zijn. Mijn hondje (Flory) zwabbert voor mij aan een lange lijn eveneens van links naar rechts, van het ene pisplekje naar het andere. De vrouw en ik houden tegenover elkaar stil, terwijl de honden tussen ons in om elkaar heen draaien en elkaar onder de staart besnuffelen.
“Klein wereldje,” zegt de vrouw.
“Klein wereldje,” herhaal ik.
We zwijgen en kijken naar de honden. Ze kwispelen vrolijk en staan nu met de neuzen tegen elkaar. Blijkbaar vinden ze beide dat de andere geen verdacht luchtje aan de kont heeft hangen.
“Soms zou ik wel een hondje willen zijn,” zegt de vrouw. “Geen zorgen aan de kop, geaaid worden, iedere dag je etensbakje gevuld krijgen, op de bak hangen …” Ze zucht.
“Vier keer per dag aangelijnd je behoefte mogen doen … geen verantwoordelijkheden, behalve blaffen als er iemand aanbelt… “
“Precies.”
De honden beginnen te spelen, en daarbij rennen ze met hun lijnen rond om onze benen. Ik sta te dansen op het asfalt om keer op keer over de lijnen te stappen en de vrouw tegenover mij moet ook ‘lijntje-springen’ om niet verstrikt te raken. Het lukt ons zonder te vallen de dieren in toom te houden.
Dan zegt de vrouw bedachtzaam: “Ik vraag me wel eens af wat Boefje denkt wanneer ie zo aan het spelen is…”
“Daar zullen we nooit achter komen,” reageer ik, ook geamuseerd. “Waarschijnlijk denken ze helemaal niet zoals mensen denken. Als ze spelen, spelen ze en als uw Boefje en mijn Flory straks weer naast ons verder lopen, denken ze vast niet ‘wat heb ik zojuist lekker gespeeld’ of zo. Dan trekken allerlei geurtjes uit de omgeving weer de aandacht. Wat dat betreft leven honden echt in het moment.”
“Meestal,” antwoord de vrouw, “dus niet altijd.”
“Wanneer niet dan,” wil ik weten.
“Weet ik niet,” klinkt het eerlijk. “Wat ik wel weet, uit ervaring, is dat veel honden gewoontedieren zijn, een soort ingebouwde klok hebben en overal perfect de sfeer aanvoelen. Ze hebben veel eerder dan mensen door of er ergens stront aan de knikker is en …” Ze schiet in de lach. “Sorry, zo bedoel ik het niet …”.
Ik grijns maar wat. “Ik vind het wel een leuke woordspeling.”
“Sorry… ,” herhaalt ze. “We gaan maar weer verder met de wandeling. We krijgen straks visite.” Boefje kijkt niet een keer om wanneer hij naast zijn vrouwtje verder loopt en in de mist verdwijnt.
‘Hebben honden boeddhanatuur?’ vraag ik mijzelf af, en kijk naar Flory. Zij blikt met een schuin gehouden koppie naar mij op, en richt daarna haar aandacht met de neus weer op graspollen naast de weg. Het lijkt wel of ze daarmee zeggen wil: ‘Dat interesseert mij geen bal!’


Geef een reactie