Soms raak je onverwacht in gesprek met iemand. Zomaar op straat. Voor een tuinhekje, op een bankje in het park, op een muurtje op het perron van een treinstation. Het kan overal gebeuren.
Het was nauwelijks een gesprek te noemen. Eerlijk? Het begin was gewoon geen gesprek maar een ordinaire scheldpartij! Over en weer. Ik deed er hartstochtelijk aan mee, want ik was geschrokken en na de eerste schrik eigenlijk ook behoorlijk woest. Niet goed te praten, ik weet het, ik zou gewoon onbewogen kalm moeten blijven en onverstoorbaar verder moeten gaan met waar ik mee bezig was: naar huis fietsen met mijn nieuwe hondje achter mij in zijn eigen aanhangertje. Wat was het geval?
Ik had Flory (zo heet het hondje) bij het invallen van de avondschemering uitgelaten in het bos. Voor de duidelijkheid: na het overlijden van Dribbel had ik mij voorgenomen om nooit meer een hondje te nemen. Inmiddels weet ik dat ‘nooit’ in mijn geval ongeveer vier maanden duurt. (Ja… ik ben behoorlijk inconsequent). Flory’s baasje overleed in het najaar plotseling en Flory was vanaf dat moment een hondje zonder baasje. En ik zat als baasje zonder hondje thuis op mijn gat het gezelschap van zo’n irritant beestje een beetje te missen. Hondje zonder baasje + baasje zonder hondje … reden genoeg om Flory in huis te nemen. En zo fietste ik die avond in het inmiddels ingevallen duister over het fietspad dat parallel naast de weg lag. Een ongeveer drie meter brede strook struikgewas scheidde fietspad en weg.
Omdat ik voor mij een verhuiswagen zag staan die het hele fietspad blokkeerde, besloot ik via een afrit (oprit) van een huis de weg op te gaan. Er kwam niets aan. Veilig. Voorbij de verhuiswagen besloot ik om via een andere afrit (oprit) het fietspad weer op te zoeken. Er kwam mij geen verkeer tegemoet. Ik keek in mijn fietsspiegeltje of er achter mij iets aankwam. Geen lichten te zien… en toen gebeurde het…
“*@^!… kun je *@^!* jouw @^! poten niet uitsteken als je van richting verandert *@^!” hoorde ik een stem brullen. De stem behoorde toe aan iemand die mij in een flits voorbij zwabberde op een snel rijdend zwart elektrisch geval zonder licht. Hij droeg donkere kleding en geen helm. Ik schrok me wezenloos, hapte even naar adem en brulde terug: “Je bent *@^! Helemaal niet te zien in het donker! *@^! Doe je lichten aan!”
Ik begreep uit de in de verte uitstervende woorden dat ik mocht doodvallen. Als ik alle lelijke woorden die ik hoorde weglaat, bleef er naast dat ‘doodvallen’ weinig tot niets over.
Door de zwieper die ik van schrik had gemaakt, was het aanhangertje met Flory erin omgekiept. Het lag nu op zijn kant midden op de weg. Ik zette het weer op zijn beide wielen en controleerde of het hondje niks mankeerde. Gelukkig: niks aan de hand. Terug op het fietspad stond een man die alles had zien gebeuren.
“Een fatbike,” zei de man. “Het was een man op een fatbike…”
“Al was het Onze Lieve Heer op een race-ezel,” antwoordde ik “Ik schrok me rot..”
“Maar u had wel uw hand moeten uitsteken.”
“Ik steek nooit mijn hand uit wanneer ik niemand voor of achter mij kan zien.”
“Ik ook niet,” bekende de man eerlijk. “Maar juridisch heeft hij gelijk.”
“Dat betwijfel ik,” waagde ik te reageren. “Hij haalde mij in. Hij voerde geen licht en was gewoon onzichtbaar.”
“U had tenminste over uw schouder kunnen kijken.”
“Daarvoor heb ik een achteruitkijkspiegel op mijn stuur gemonteerd. En …”
“Ik begrijp u,” sust de man. “Het had mij ook kunnen overkomen. Maar u moet in deze wereld nu eenmaal rekening houden met mensen die nergens rekening mee houden en alleen aan zichzelf denken.” De man tikte bij wijze van groet met een hand tegen zijn pet en liep van mij weg. Ik dacht na, zuchtte en knikte instemmend. Weer wat geleerd. Dat kon de man natuurlijk niet meer zien. Hij had geen achteruitkijkspiegel op zijn schouder en keek ook niet meer om.


Geef een reactie