Soms raak je onverwacht in gesprek met iemand. Zomaar op straat. Voor een tuinhekje, op een bankje in het park, op een muurtje op het perron van een treinstation. Het kan overal gebeuren.
“Het zal ongetwijfeld een reden hebben,” zei hij, met een triomfantelijke uitdrukking op zijn gezicht alsof hij zojuist de perfecte uitleg over de relativiteitstheorie van Einstein in één zin had weergegeven. “U hoeft er bovendien niet overheen te lopen,” voegde hij er aan toe.
Ik keek hem eerlijk gezegd nogal verbouwereerd aan, want ik had hem helemaal niet gevraagd naar het ‘waarom’. Natuurlijk lagen die de metalen rijplaten met een reden op de weg. Ik ben heus niet zo stom om te denken dat ze per ongeluk van een vrachtwagen waren afgegleden. Verderop stond een rupsvoertuig met een enorme uitschuifbare kraanarm waar een sloothekkel aan vast zat. Het enige dat ik en passant tegen de man van de gemeente had gezegd, was “Die platen zijn hartstikke glad!”
Ik herpakte mij en vroeg: “Ok. Dan heb ik nog twee vragen. De eerste: wat is de reden dat ze glad zijn? En de tweede: Als ik er niet overheen hoef te lopen, waar kan ik er omheen… of verwacht u dat ik eroverheen spring?”
De man keek alsof hij water zag branden. “Dat moet u mij niet vragen,” zei hij tenslotte op vlakke toon. “Ik heb ze hier niet neergelegd”.
“Dat beweer ik ook niet,” reageerde ik geamuseerd. “Laat ik mijzelf dan zelf maar antwoorden. De platen zijn glad doordat ze niet geruwd, maar wel nat, modderig en koud zijn en bovendien licht schuin liggen. En je kunt er natuurlijk omheen, behalve als je daar bij het fietsenhok wilt zijn, want niemand gaat door de sloot of loopt eerst honderd meter om. En eroverheen springen gaat niet, want …”
“Wat wilt u van me?” beet de gemeenteman mij toe.
“Niks,” antwoordde ik eerlijk. “Ik zei om te beginnen alleen maar ‘die platen zijn hartstikke glad.’ Niks meer, niks minder.”
“Nou en!? Ze zullen er niet voor niks liggen.”
Hoofdschuddend besloot ik door te lopen. Ik dacht aan de mensen die hun fietsen nu alleen over de spekgladde platen konden bereiken. Kinderen. Oudere vrouwen. Een enkele slecht ter been zijnde man die naar zijn driewielfiets strompelde.
Ineens hoorde ik achter mij een bons en een vloek, en keek om. De man was zo te zien naar een bestelbus gelopen. Daarvoor moest hij over de rijplaten lopen. Met enig leedvermaak zag ik hoe hij besmeurd overeind kwam en met een hand over zijn kont wreef. En ik dacht: ‘Hij zal wel met een reden op zijn kont terecht gekomen zijn.’


Geef een reactie