Soms raak je onverwacht in gesprek met iemand. Zomaar op straat. Voor een tuinhekje, op een bankje in het park, op een muurtje op het perron van een treinstation. Het kan overal gebeuren.
Met mijn armen over de rugleuning- als Jezus aan het kruis -, zit ik op een bank in het bos. Er nadert een vrouw van een jaar of veertig. Sportief op een mountainbike. Ze stopt een paar meter van me af, zet de fiets tegen een boom en maakt aanstalten om op de grond te gaan zitten.
“Je mag wel naast me op de bank hoor,” zeg ik, en schuif alvast op, van het midden naar de linkerhoek. “Ik bijt niet.”
Ze aarzelt een moment en komt dan naar de bank.
“Dank u wel,” zegt ze.
“Dit is een openbare bank. Hij is dus net zoveel van u als van mij. En er is plaats voor drie of misschien zelfs vier mensen, dus … plek zat.”
De vrouw knikt en neemt mij van top tot teen op. Tenslotte zegt ze “Ik ben Annelies.”
“En ik ben Menno,” antwoord ik. Er is iets in haar stem dat mij als niet alledaags voorkomt. Kennelijk voelt ze dat aan, of wil ze eventuele vragen of opmerkingen voor zijn, want ze zegt: “Ik heb een hersenbeschadiging”.
Wat moet ik daar nou op zeggen? Geen idee. En voor ik er erg in heb, floep ik eruit, “dat betekent dus dat je in ieder geval hersens hebt.”
Annelies kijkt mij eerst verbaasd, en daarna vrolijk aan. “Dat heeft nog nooit iemand tegen mij gezegd,” lacht ze.
“Nou ja,” reageer ik zo nonchalant mogelijk, “wat je niet hebt kun je niet beschadigen… lijkt mij vrij logisch.”
“Dat is waar. Mijn hersenbeschadiging heb ik door een tumor gekregen. Ik ben geopereerd. En daardoor ben ik nu zoals ik nu ben. Dat is al een paar jaar zo. Ik ben eraan gewend. Ik woon nu ook alleen. Ik kan mijzelf ook wel redden hoor. Ik heb van niemand hulp of medelijden nodig.”
“Ik was ook niet van plan hulp aan te bieden of om medelijden met je te hebben,” zeg ik, vrij bot, maar wel eerlijk.
“Gelukkig!” Ze lacht weer. Het is een aantrekkelijke vrouw. Slank, goed verzorgd, sportief gekleed. “De meeste mensen gaan zich meteen anders gedragen als ze merken dat ik een hersenbeschadiging heb.”
“O… dat is echt stom,” zeg ik. “Als je niks had gezegd, had ik het ook niet gemerkt.”
“O jawel. Jij hoort het aan mijn manier van praten.”
Dat is waar. Ze praat wat langzamer en ook wat vlakker van toon dan normaal. Het lijkt mij het beste dat niet te ontkennen. Maar als dat alles is? So what!
“Ik heb gestudeerd”, vertelt Annelies. “Ik ben klinisch psycholoog. Ik was klinisch psycholoog, moet ik zeggen.”
“Hoezo…WAS?” vraag ik.
Annelies legt het uit. Voor ze ziek werd, werkte ze als afgestudeerd klinisch psycholoog in een ziekenhuis. Na de operatie kon ze dat werk niet meer aan en kwam ze met een uitkering thuis te zitten. Ze kreeg van alle kanten hulp aangeboden, maar daar kreeg ze het benauwd van. Het leek wel alsof iedereen haar ineens als een klein kind begon te behandelen dat afhankelijk was van geboden hulp, waar ze vervolgens dankbaar voor moest zijn.
“Stom,” zeg ik.
“”Ja,” lacht Annelies. Ze lacht veel. Ze huilt ook veel, verklaart ze. Eigenlijk laat ze al haar emoties ongeremd en overal en altijd de vrije loop. “Mensen weten niet hoe ze met mij moeten omgaan. Dat is inderdaad stom. Ze vergeten dat ze in beginsel net zo zijn als ik, maar dat zij hun emoties beter kunnen verbergen. Als ik boos ben, ben ik merkbaar boos, maar even later ben ik weer vrolijk en soms ben ik boos en vrolijk tegelijk. Dat snappen mensen niet.”
“Dat lijkt mij ook vrij lastig,” beken ik, “zolang je gelooft dat het ene gevoel het andere uitsluit. Ik kan bijvoorbeeld verdrietig en blij tegelijk zijn, of geamuseerd, geïmponeerd en geïrriteerd tegelijk. Snapt ook niet iedereen.”
“Maar jij verbergt het…”
Ik knik. Ja, ik weet emoties meestal aardig te verbergen, maar dat doe ik – zonder hersenbeschadiging – de laatste tijd steeds minder. Waarom zou ik mijn emoties verbergen? Wie zich eraan stoort, stoort zich er maar aan. Dat is niet mijn probleem. Het is hun eigen probleem. Hoe het ook zei, ik begrijp van Annelies dat mensen in haar omgeving vinden dat ze zich niet op de goede manier weet aan te passen aan deze maatschappij. Haar manier van praten, en het tonen van elkaar soms vlot opvolgende en soms tegenstrijdige emoties vindt ‘men’ een probleem.
“Ik heb hersens!” benadrukt Annelies, “en die werken prima… op een paar kleinigheden na. Het praten gaat wat trager en wat vlakker en op mijn emoties zit wat minder rem… maar ik red mijzelf prima.”
We praten nog wat door. Annelies heeft hersens, zoveel is duidelijk. En ze gebruikt ze ook. Ze is geopereerd aan een tumor, maar beslist niet op haar achterhoofd gevallen.
Geef een reactie