De roep om een nieuwe politiek waarbij het landsbelang voorop moet staan en niet het partijbelang is niet nieuw. De economische crisis van de jaren 1930 en de dreiging van het nationaal-socialisme vroeg destijds volgens velen om vernieuwing van het machteloze en verstarde politieke bestel. De Nederlandse Volksbeweging wilde een doorbraak. Waar kwam dit vandaan en waar leidde het toe? Dit artikel bespreekt de grote lijnen.
Het Comité van Waakzaamheid (1936) sprak vooral vrijzinnig-liberale en linkse intellectuelen aan. Initiatiefnemers waren historicus Jan Romein, journalist Jan Greshoff en schrijver Nico Rost. Het comité richtte zich tegen het gevaar voor de vrijheid van onderzoek en meningsuiting van ‘het nationaal-socialisme en alle andere groeperingen van dezelfde aard om gezamenlijk op te komen vóór de verdediging der geestelijke vrijheid en tegen het Nationaalsocialisme.’ Zij richtte plaatselijke afdelingen op, gaf onder andere brochures uit, organiseerde bijeenkomsten en zocht samenwerking met gelijkgezinde groepen.
Binnen twee maanden echter vertrokken de katholieke bestuursleden en gewone leden. Historiek schrijft: ‘Het comité moest zich voortdurend verdedigen tegen de beschuldiging van communistische sympathieën, vooral in katholieke en protestantse kringen, maar ook in de sociaaldemocratische pers als Het Volk. In januari 1940 besloot de ledenvergadering tot de oprichting van een nieuw Comité, zonder leden van de CPN en de NSB. Dit kwam er niet.
Eenheid door Democratie
Mogelijk was het alternatief hiervoor het comité Eenheid door Democratie (1935) dat zich te weer stelde tegen het nationaalsocialisme én het communisme. Zij werd opgericht door onder andere de Delftse hoogleraar Wim Schermerhorn en historicus Pieter Geijl. Het motto van Eenheid door Democratie ‘Mussert noch Moskou’, verwees naar de NSB-slogan: ‘Mussert of Moskou’. EDD gaf onder andere het tijdschrift Eenheid door Democratie, brochures en boeken uit. In de zomer van 1939 telde de organisatie pakweg 30.000 leden.
Nederlandse Unie
Tijdens de Duitse bezetting werd de Nederlandse Unie (1940) opgericht door het driemanschap van hoogleraar psychologie Jan de Quay, hoofdcommissaris van politie van Rotterdam Louis Einthoven en commissaris van de Koningin in Groningen Johannes Linthorst Homan. De Unie riep op tot ‘doelbewuste arbeid voor het behoud en de versterking van vaderland en volksgemeenschap en tot voorbereiding van de voorwaarden en de wegen van hun bestaan en welzijn in de toekomst.’ Zij wilde de NSB wind uit de zeilen nemen en had al snel 800.000 leden, vele malen meer dan de NSB.
Protest van de Unie-leden tegen de leiding over het lidmaatschap van Joden en de Duitse invasie van de Sovjet-Unie bracht de ondergang van de beweging nabij. Uiteindelijk werd haar positie onhoudbaar en de bezetter ontbond de Unie in 1941. De top ervan werd geïnterneerd in het Brabantse kamp Sint-Michielsgestel. De Quay werd er een van de Heeren Zeventien.
Sint-Michielsgestel
De bezetter gijzelde in mei 1942 in Sint-Michielsgestel 450 notabele Nederlanders zoals politici, hoogleraren, geestelijken, advocaten en schrijvers. Later dat jaar kwam er een eerder geïnterneerde groep bij. De onvrijheid en de dreiging van fusillering kwamen hard aan. Het bestaan werd relatief dragelijker door het lichte regime.
Het kamp werd vooral bekend doordat een klein aantal gijzelaars er de Nederlandse Volksbeweging (NVB) oprichtte. Historicus Madelon de Keizer schrijft: ‘Zij hadden een geestelijk-culturele bezinning voor ogen, die de stimulans moest zijn voor een vernieuwing van het maatschappelijk en politiek bestel. Zij streefden een partijpolitieke doorbraak na en wilden definitief afrekenen met de vooroorlogse gevestigde politieke verhoudingen. Het verzuilde bestel beschouwden zij als verstarrend, ondoelmatig en niet in overeenstemming met het in de oorlog gegroeide saamhorigheidsbesef van de bevolking.’
Heeren Zeventien
De gijzelaars richtten de sociologische studiegroep op van 50 personen en dachten na over de naoorlogse politiek en organiseerden lezingen en discussies. Omdat dit niet leidde tot de gewenste resultaten ontstond ernaast een kleinere nieuwe groep, de ‘Heeren Zeventien’ geheten. Vertegenwoordigers van de diverse politieke partijen waren er lid van, bijvoorbeeld de vrijzinnig-hervormde predikant Banning (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij/SDAP), Marinus van der Goes van Naters (SDAP), Antoon Struycken (Roomsch-Katholieke Staatspartij/RKSP), Louis Einthoven (Nederlandsche Unie), Wim Schermerhorn (Vrijzinnig-Democratische Bond) en Piet Lieftinck (Christelijk-Historische Unie/CHU), ook de historicus Pieter Geijl maakte er deel van uit. De besprekingen van de groep waren vertrouwelijk.
Banning was van mening dat na de oorlog afgerekend moest worden met de liberale kapitalistische maatschappij. Eenheid en saamhorigheid waren vervangen door individualisering, autoriteit door vrijheid en isolement. Dit impliceerde dat een werkelijke vernieuwing van het naoorlogse Nederland gepaard zou moeten gaan met een herwaardering van de christelijke normen, De Keizer bladzijde 128. Historicus Geijl bestreed niet aflatend deze opvatting van een (inter)nationale ziektetoestand. ‘Wanneer men vergelijkt met andere perioden, zie ik volstrekt geen aanleiding om de moderne mens een bijzondere dosis egoïsme of groepsegoïsme toe te schrijven.’ De gedachte dat na de oorlog de gemeenschap onder de levenswet van het Evangelie moest worden gesteld wees hij af. De premissen van de voorstanders ervan waren immers onhoudbaar.
Dit citaat van Geijl spreekt boekdelen: ‘Er is in ons volk heel weinig neiging tot het nationaal-socialisme, dat is juist zo verblijdend gebleken. Onze ellende komt niet van ‘ontbinding’ of ‘atomisering’ of ‘ontkerstening’, maar van de verovering, die met dat alles niets te maken heeft.’ De Heeren verschilden fundamenteel van mening, een nieuwe gesprekskring werd opgericht.
Personalistisch socialisme
De vaste kern van deze nieuwe kring bestond onder andere uit Banning, Schermerhorn, Einthoven en De Quay. Zij wilden een manifest naar buiten brengen over een nieuwe volksbeweging. Voor overeenstemming over de grondslagen ervan moesten de leden eerst allerlei nota’s opstellen. De eerste was ‘Richtlijnen voor een toekomstig beleid in Nederland in den geest van het personalistisch socialisme’ van het lid Hendrik Brugmans (SDAP).
Er bestonden in de kring meningsverschillen over het begrip socialisme. Met het begrip ‘personalisme’ wist Brugmans deze te overbruggen. Het personalistische socialisme werd voorgesteld als alternatief voor het liberalisme en individualisme. ‘De menselijke persoonlijkheid [is] geroepen om op eigen wijze en naar eigen verantwoordelijkheid te werken voor de gemeenschap waarin hij is gesteld.’ Historicus Jan Bank schrijft: ‘geen klassenstrijd maar ook geen klasseloze maatschappij, wel ordening van de kapitalistische markteconomie en vastlegging van arbeidsverhoudingen in termen van een rechtsorde.’ Dit socialisme was meer een intentie dan een leer en vooral een bindmiddel.
Oproep
Na de bevrijding, half mei 1945 verscheen de oproep van de Nederlandse Volksbeweging (NVB) aan alle Nederlanders. De tweede wereldoorlog was de afsluiting van een ‘oud tijdperk’ en een radicale vernieuwing op economisch, politiek, sociaal en geestelijke vernieuwing in personalistische geest was noodzakelijk. Deze moet gevoed worden ‘uit de levende bronnen van Christendom en humanisme’. Volk, staat ras en klasse als hoogste goed in de samenleving werden verworpen.
Het manifest somt een aantal doelstellingen op:
– ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid;
– verheffing van de arbeid in een geordend sociaal-economisch bestel;
– vernieuwing van de staatsgedachte, hervorming van de democratie in een personalistische geest; volkszeggenschap in de organisaties van bedrijfs- en cultureel leven.
Arbeid is in de optiek van de beweging een onvervangbaar bestanddeel van het menselijk bestaan, een ‘zedelijke factor van de eerste rang’. Doel van een sociaal-economische activiteit ‘dient niet te zijn winst voor het individu, doch een rechtvaardige voorziening in de redelijke behoeften van allen’, Bank bladzijde 56.
‘Het programma van de NVB is niet het resultaat van een discussie in de beweging en een stemming door een vergadering van leden. Het is in Gestel ontworpen en tijdens de bezetting ook daarbuiten in het geheim doorgesproken’, Bank bladzijde 59. Hij concludeert dat de instemmers met het manifest en programma dit om principiële redenen deden en het niet in detail ondersteunden.
Politiek zomer 1945
Hoofdstuk 4 van het boek van Jan Bank is getiteld Politieke partijen in de zomer van 1945. De NVB streefde een doorbraak na in de vooroorlogse partijverhoudingen, maar daar waren grenzen aan. De Anti-Revolutionaire Partij wees de eenheidsbeweging af. De christelijke antithese was juist van groter waarde in de naoorlogse tijd, ‘nu overal verwereldlijking en ontkerstening toenemen.’ Voor velen in de beweging was de partij te bezwaard door het verleden van Colijn, het symbool van onmacht van de vooroorlogse democratie. Afwijzing van het liberale kapitalisme maakte toenadering tot de Liberale Staatspartij onmogelijk en de afwijzing van de klassenstrijd de toenadering tot de CPN. De NVB richtte zich in eerste instantie op de politieke partijen van sociaal-democraten, hervormden, vrijzinnig-democraten en katholieken.
Sociaal-democraten
De SDAP was de belangrijkste gesprekspartner van de NVB, omdat zij de traditie van het socialisme in ons land vertegenwoordigde. Onder invloed van Banning en van partijvoorzitter Koos Vorrink was men bezig met het streven naar vernieuwing van de partij. Doel van het beginselprogramma van 1937 was om de arbeiderspartij te verbreden tot een volkspartij. Globaal kwam dit neer op een afscheid van de marxistische analyse en van de klasse-terminologie om aanvaardbaar te zijn voor de middengroepen naast de arbeiders. Dit werd bemoeilijkt door het verzuilde karakter van de Nederlandse sociaal-democratie in een rode familie. De sociaal-democratie was tot op zekere hoogte de zuil van buitenkerkelijken, maar onderscheidde zich door haar eigen cultuur. Tijdens de bezetting verliep de discussie over de vernieuwing door middel van brochures en sinds 1944 in de eigen illegale organen.
In een illegale brochure schreef Willem Drees dat de SDAP na de bevrijding zou terugkeren, maar geprobeerd werd ‘door zelfherziening in wat niet het beginsel raakt, scheidsmuren te doen vallen’, Bank bladzijde 105. In augustus 1945 spreekt de SDAP met een NVB-delegatie en stelt voor in een kleine commissie een nieuwe partijformatie te onderzoeken. Najaar 1945 toonde de partij haar belangstelling voor toetreding tot een nieuwe formatie, maar ‘vooral Drees en Vorrink stelden alles in het werk zoveel mogelijk van de ‘oude’ SDAP in de te vormen progressieve volkspartij te handhaven’, De Keizer bladzijde 172.
Hervormden
Bank maakt in zijn beschrijving onderscheid tussen de hervormde kerk en de CHU. Deze Unie behoorde met de ARP en de RKSP tot rechts. Gezien de historische ontwikkeling van 1945 is dit onderscheid meer dan terecht. In de kerk deed zich immers een vernieuwing voor, die ‘de CHU ver te boven is gegaan.’
Onder invloed van de economische crisis en de opkomst van het nationaal-socialisme in Duitsland groeide bij sommige predikanten het besef dat de hervormde kerk als geheel daarover moest getuigen. Na de machtsovername van Hitler vormde zich in Duitsland een kern van reformatorisch verzet rond theoloog Karl Barth. Dit sprak ook Nederlandse hervormden aan. ‘In de breed geschakeerde hervormde wereld vormden zij evenwel een minderheid.’ In 1938 wees een meerderheid van de Algemene Synode het streven naar een kerkvernieuwing af.
In 1940 werd Hendrik Tilanus, voorzitter van de CHU en fractievoorzitter in de Tweede Kamer gegijzeld in concentratiekamp Buchenwald en daarna in Sint-Michielsgestel. Zijn ervaringen brachten hem nader tot de anti-revolutionairen. Na zijn terugkeer zette hij zich in voor de heroprichting van de CHU. Tot een fusie met de ARP kwam het niet, wel een federatieve samenwerking. In het gesprek met de NVB in september 1945 bleek de CHU niet bereid haar eigen identiteit op te geven.
In de Christelijk Democratische Unie (CDU), de meest linkse partij op reformatorische grondslag was de invloed van Karl Barth groot en de partij stond dicht bij de SDAP. De scheidslijnen waren de verzuiling, de marxistische en de humanistische levensbeschouwing. De oorlog vervaagde ook deze scheidslijn, aldus historicus Bank. CDU-lid Jan Buskes trad in 1945 met zes Amsterdamse collega’s toe tot de SDAP.
Vrijzinnig democraten
De links-liberale VDB vormde in het politieke krachtenveld de verbinding tussen de SDAP en de confessionele partijen. Als minister van Financiën was Pieter Oud in het kabinet Colijn van 1933 tot 1937 echter verantwoordelijk voor het bezuinigingsbeleid. Een deel van de aanhang van de bond was vrijzinnig-protestants. In de vrijzinnig-christelijke jeugdbeweging groeide in de jaren 1930 het besef ‘dat zedelijke beginselen aan de politiek in de economische crisis en tegenover de bedreiging van het fascisme en nationaal-socialisme nieuwe bezinning moest geven, met name op sociaal gebied’, Bank bladzijde 128.
Het voorlopig Centraal Comité van de Bond besloot in september 1945 een commissie in te stellen over samenwerking of samengaan met andere partijen. In een gesprek hierover met de NVB was Oud pessimistisch over samenwerking. Oud was korte tijd lid van de PvdA en richtte met Dirk Stikker in 1948 de VVD op.
Rooms-katholieken
Het overgrote deel van de rooms-katholieken was in de jaren 1930 trouw aan de RKSP. Het kerkelijke gezag zag daarop toe met het mandement in 1933. Dit verbood op straffe van kerkelijke sancties het lidmaatschap of de steun aan socialistische of communistische verenigingen als de SDAP, CPN en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Het lidmaatschap van neutrale of liberale organisaties werd afgekeurd. Het lidmaatschap van de nationaal-socialistische beweging werd in 1941 verboden. Bijna een op vijf katholieke kiezers volgde dit in het stemhokje desondanks niet. De RKSP was partner in de rechtse coalities. Tot laat in de jaren 1930 werd een samenwerking met de SDAP en VDB slechts gezien als een keuze uit uiterste noodzaak. Binnen de partij kwamen er echter nieuwe krachten op en de katholieke vakbeweging met haar voorkeur voor een rooms-rode coalitie won aan invloed.
De partij loopt in 1940 leeg en het bestuur bepleit leden deel te nemen aan de Nederlandse Unie. De Unie doorbrak de verzuiling in katholieke kring, waardoor speculaties ontstonden over de rol van katholieken in de naoorlogse politiek. Najaar 1945 sprak De Quay die na een dringend beroep op hem de NVB had verlaten zich uit voor een zelfstandig politiek optreden van katholieken. Op de partijraad van de RKSP in december 1945 werd ten slotte de oude partij omgedoopt tot Katholieke Volkspartij, die in 1947 werd opengesteld voor niet-katholieken.
Noodkabinet
De RKSP-delegatie wilde de verkiezingscampagne in 1946 niet voeren in het teken van het ‘noodkabinet’ Schermerhorn-Drees (juni 1945-juli 1946). Dit kabinet werd in juni 1945 benoemd door koningin Wilhelmina en bestond uit ministers van SDAP, CHU en RKSP en vijf partijloze ministers waarvan later twee PvdA-lid werden. Schermerhorn was afkomstig uit de kring van de VDB (later PvdA).
Partij van de Arbeid
Het overleg tussen de NVB en de SDAP, de VDB, de CDU, en het daklozenberaad van niet-partijgebonden rond onder andere Het Parool en Vrij Nederland verliep moeizaam, maar had snel succes. Op 9 februari 1946 werd de PvdA opgericht. De PvdA wees een stembusakkoord af met de KVP. In het nieuwe partijbestuur zaten onder andere Drees, Van der Goes Naters, Banning, Vorrink en Ruijgers. Historicus De Keizer constateert dat een nieuwe brede progressieve volkspartij tot stand was gekomen, maar ‘de oude politieke constellatie’ was terug.
Terugblik
Het doel van de NVB was een nieuw nationaal zedelijke herleving teweeg te brengen, maar men was vooral bezig met partijpolitieke vernieuwing. Toen de PvdA van de grond kwam liep het NVB-ledental snel terug. De verkiezingen van 1946 luidde haar einde in en in 1951 verdween de beweging. De doorbraak sloeg bij de kiezers niet aan, de antithese werd bevestigd. KVP, ARP en CHU kwamen ongeschonden uit de strijd. De PvdA haalde 29 zetels, de KVP 30 en de CPN profiteerde van de in de PvdA teleurgestelde arbeiders.
Het gesprek in Sint-Michielsgestel was vooral een voortzetting van het in de jaren 1930 gegroeide saamhorigheidsbesef en de doorbreking van de scheidslijnen van de verzuiling. Dit werd aangeprezen als alternatief voor de onmachtige en verstard ervaren parlementaire democratie, aldus De Keizer. De Nederlandse Unie bundelde ondanks haar bedenkelijke kanten deze gevoelens.
Naarmate echter de internering voortduurde en de gesprekken diepgaander werden, kwamen de verschillen duidelijk aan het licht. Het betrof de analyse van de crisis en de oorlog. Enerzijds waren er die stelden dat de oorlog het uiterste gevolg was van een algemene crisis. De vooroorlogse problemen zouden dan ook niet verdwijnen met het fascisme. Anderzijds meende men dat de oorlog een brute verovering was van een vreemde ideologie. De saamhorigheid kon juist een stimulans zijn voor politieke en economische vernieuwing.
De NVB was nooit een volksbeweging. Een groep geëngageerde intellectuelen meende dat zij hun verantwoordelijkheid moest nemen voor een krachtige stabiele naoorlogse eenheid. Aan dit idealisme had de Nederlandse bevolking na de bevrijding echter geen behoefte. Madelon de Keizer schrijft in het nawoord van haar boek: ‘Herstel en continuïteit lagen in het vooruitzicht; herstel en vernieuwing’ bleken een illusie.’
Opmerking
De relatie tussen de Nederlandsche Unie en de NVB was een netelige kwestie. Men onthield zich destijds van kritiek en dit kon niet anders. Door openlijk kritiek op de Unie kon de pretentie van een eenheidsbeweging niet worden waargemaakt. Ook zou men zich vervreemden van een deel van de NVB-aanhang, die uit Unie-leden bestond. Bovendien zou het streven naar partijvernieuwing in de lucht komen te hangen. ‘Maar evenmin kon men de Unie openlijk verdedigen; daarvoor waren de aantijgingen met name aan het adres van het Driemanschap te zwaar. In ieder geval hebben deze speculaties over haar Unie-verleden de NVB geen goed gedaan’, De Keizer bladzijde 171.


Geef een reactie