Aan de vruchten kent men de droom.
Hans: Wat is de vrucht van jouw contemplatieve leven?
Pieter: Rusten in God.
Hans: Wie is God?
Pieter: Een groot mysterie. De afgrond van het bestaan.
Hans: Wie rust er in God?
Pieter: Ik.
Hans: Wie ben jij?
Pieter: Een klein mysterie. De afgrond van mijn bestaan.
Hans: Dus met rusten in God bedoel je dat het onoplosbare mysterie dat je zelf bent, verblijft in het onoplosbare mysterie dat God heet?
Pieter: Precies.
Hans: Dus jij maakt deel uit van God?
Pieter: Nou…
Hans: Niet?
Pieter: Dat maakt deel uit van het mysterie.
Hans: Want?
Pieter: Misschien zijn God en ik wel identiek.
Hans: Op die manier.
Pieter: Of misschien maakt God wel deel uit van mij.
Hans: Dat kan ook nog.
Pieter: Vandaar.
Hans: Wat een raadselen allemaal.
Pieter: Zeg dat wel.
Hans: Wat betekent het voor jou dat God een mysterie is?
Pieter: Dat ik geen idee heb wie of wat Hij is.
Hans: Of dat Hij is?
Pieter: Hm.
Hans: Wat betekent het dat jij een mysterie bent?
Pieter: Dat ik geen idee heb wie of wat ik ben.
Hans: Of dat je bent?
Pieter: Hm.
Hans: En dit zou de vrucht van jouw contemplatieve leven zijn?
Pieter: Wat?
Hans: Dat iemand die niet weet wie of wat of dat hij is, misschien verblijft in, gelijk is aan, of als verblijfplaats dient voor, iets of iemand waarvan hij niet weet wie of wat of dat hij is?
Pieter: Ik zou het anders ook niet weten.
Hans: Misschien had je dat moeten zeggen.
Pieter: Wat moeten zeggen?
Hans: De vrucht van mijn contemplatieve leven is rusten in niet weten.
Pieter: Misschien wel.
Hans: Maar ja…
Pieter: Wat?
Hans: Dat zou je dan ook niet weten.