Er kwamen twee monniken met een kat bij de Hebreeuwse koning en profeet Salomo. Een monnik van de westelijke hal en een van de oostelijke hal. Die van de oostelijke hal sprak: ‘Eerwaarde Salomo, wij hebben een probleem, deze kat hoort thuis in de oostelijke hal maar zij van de westelijke hal beweren dat zij van hen is.’ Waarop de monnik van de westelijke hal sprak: ‘Die van de oostelijke hal hebben deze kat vannacht gestolen, ze voeren hem lekkere hapjes om haar bij zich te houden.’

