Vincent van Gogh (1853-1890) vond ‘iets groots, iets oneindigs’ in veel dingen. In de sterrenhemel, die hem altijd aan het dromen zette. Maar evengoed in de oogjes van een klein kind. Hij hoorde het in muziek en vogelzang, zag het in oude mensen op de drempel van de dood. Maar ook in de zaaier en de maaier. En vooral in de zon, het licht van ‘Iets daarboven’.

