In mijn studietijd ben ik eens maandenlang getreiterd door een troep tieners. Hoewel ik bangelijk en terughoudend van aard ben, werd ik op een dag ik zo kwaad dat ik met mijn bokuto (een houten oefenzwaard voor kenjutsu) naar buiten ging, waarop de bendeleden joelend en schreeuwend alle kanten op vlogen. De grootste klier rende ik achterna tot hij ineens bleef staan, zich omdraaide en met gespreide armen op me af liep. Had hij beter niet kunnen doen.
Klotsend van adrenaline gaf ik hem, draaiend vanuit mijn heupen zoals ik geleerd had van een straatvechter in Japan, een mep op zijn ribben met mijn bokuto, waarop hij krimpend door zijn knieën zakte. Vanaf de grond keek hij me met grote ogen aan. ‘De volgende keer sla ik je dood’, zei ik, keerde om en ging naar huis.
Een onbezonnen daad, zeker. Of het slachtoffer er nog weleens aan denkt, of hij er geestelijk door beschadigd is, of gelouterd, of beide, weet ik niet. Het getreiter was in één klap afgelopen, al wilden de boys vanuit de verte nog weleens onverstaanbare dingen roepen. Geestelijk geweld beteugeld met lichamelijk geweld. Vanaf dat moment wisten ze waar ze aan toe waren, en ik waartoe ik in staat was.
Een paar jaar later heb ik na een paar glazen wijn mijn toenmalige vriendin een bord naar haar kop gegooid. Mijn hele leven gooi ik al mis, met proppen, stenen, rotjes, sokkenbolletjes, sneeuwballen, pingpongballen, tennisballen. Dit keer was het toevallig raak en veroorzaakte ik tot mijn ontzetting een bloedende hoofdwond. Omdat ze wegdook voor de vliegende schotel, raakte die haar bovenop haar hoofd en niet op haar slaap, neusbrug of oogkas, die anders misschien gebroken zouden zijn.
Of zij er nog weleens aan denkt, of ze er geestelijk door beschadigd is, of gelouterd, of beide, weet ik niet, we hebben geen contact meer. Mezelf heb ik er lang om gevreesd en gehaat. Ook die daad heeft me blijvend veranderd.
Sindsdien heb ik nog één keer iets naar iemand gegooid, een paar jaar later. Naar mijn huidige geliefde, helemaal in het begin van onze relatie, toen ze zat te mokken met haar hoofd tussen haar schouders en haar handen in haar zakken, zoals toen haar gewoonte was, en niet wilde zeggen wat er aan de hand was. Ik gooide een pakje shag naar haar (nadat ik het eerst even had dichtgedaan) en raakte haar met de volle veertig gram tussen de schouderbladen. Daarna praatte ik op haar in tot ze terug begon te praten. En nooit meer ophield. En nooit meer mokte. Dus daar heb ik geen spijt van.
Tegenwoordig gooien Lucienne en ik alleen nog over. Zachte balletjes, sokkenbolletjes, pluchen beesten groot en klein. We lopen naar de zeventig. Raak of mis, het blijft leuk.

