Vol erin
‘Ik wil mijn gedachten leren beheersen, Hans.’
‘Wie zegt dat ik je dat kan leren?’
‘Dat dacht ik.’
‘Wie zegt dat ik het je wil leren?’
‘Dat hoopte ik.’
‘Wie zegt dat je dan beter af bent?’
‘Dat meende ik.’
‘Allemaal gedachten.’
‘Kun jij…’
‘Misschien zijn jij en ik ook maar gedachten.’
‘Zo te horen beheers jij je gedachten ook niet helemaal.’
‘Wie zegt dat gedachten beheersbaar zijn?’
‘Dat… eh… dacht ik.’
‘Denk je dat vaak?’
‘Hoe weet je dat?’
‘Iedereen wordt beheerst door gedachten over gedachtebeheersing.’

