‘Het leven is een raadsel, Hans.’
‘Toch weer een oplossing gevonden?’
‘Noem dat maar een oplossing.’
‘Noem dat maar een raadsel.’
‘Iets een raadsel noemen is het ontraadselen, bedoel je.’
‘En wat dan nog.’
‘Over het leven moeten we zwijgen, wou je zeggen.’
‘Jij misschien.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Dit.’
‘Ik hoor je niet.’
‘Omdat je erdoorheen zit te kletsen.’
‘Ik snap je niet.’
‘Omdat je me wilt snappen.’
‘Als er iemand een raadsel is, ben jij het wel.’
‘Toch weer een oplossing gevonden?’

