Deus absconditus – de verborgen God.
Beste Hans,
Niet lang geleden heb ik je dwaalgesprek ‘Ik ben niet verlicht, ik ben verduisterd’ (in je boek Verlichting voor nitwits) gelezen. Grasduinend in de Encyclopedie van de Mystiek en de Mysteriegodsdiensten van John Ferguson vond ik vanmorgen een gedicht van Henry Vaughan dat je vast mooi vindt:
Er is in God, zegt men,
Een diep verblindend duister; zoals men hier
Zegt het is laat en schemerig, omdat zij
Niet alles helder zien.
O om die nacht! waar ik in Hem
Zou mogen leven, onzichtbaar en zwak!
Beste Leah,
Dank voor het gedicht, de beeldspraak van de nacht past mij als de dageraad. Of er om het diep verblindend duister heen inderdaad een God is, durf ik niet te zeggen; dat kan je van daaruit, dat kan ik van hieruit niet zien.
Leah: Wat durf je wel te zeggen?
Hans: Ik kan niet zeggen dat ik in Hem ben, ik kan niet zeggen dat ik niet in Hem ben. Ik kan niet zeggen dat ik Hem ben, ik kan niet zeggen dat ik Hem niet ben. Ik kan niet zeggen dat Hij in mij is, ik kan niet zeggen dat Hij niet in mij is. Ik kan niet zeggen dat Hij is, ik kan niet zeggen dat Hij niet is. Ik kan niet zeggen dat ik ben, ik kan niet zeggen dat ik niet ben. Dat kan ik zomaar zeggen en dat maakt me gelukkig (geen fluit).
Leah: Hm.
Hans: Mijn idee.
Leah: Fergusons gedicht spreekt me toch meer aan.
Hans: Omdat het zo goed loopt zeker.
Leah: Nee, dat niet.
Hans: Wat wel?
Leah: ‘In Hem mogen leven, onzichtbaar en zwak.’
Hans: Je deelt Fergusons verlangen om in God te schuilen.
Leah: Precies.
Hans: Jullie zijn allebei bang en zoeken heil bij een Almacht.
Leah: En jij?
Hans: Ik ben bang en vind heil in mijn onmacht.
Leah: Hè?
Hans:
Er is een diep verblijdend duister
Waarin ik tastend leven moet
Ik zie geen hand voor ogen
Geen spoor van Hem of mij
De nacht gaat snel voorbij
En zonder mededogen
Terwijl de stilte hevig woedt
Waarnaar ik aldoor luister
Leah: Een diep verblijdend duister – lees ik dat goed?
Hans: Beeldspraak voor niet-weten.
Leah: Hoe heet dit gedicht?
Hans: Dageraad.
