De materie die specifiek gevoelig is voor geur wordt in de leer van de Boeddha het neuselement of geurzintuig genoemd. Het is de specifieke gevoeligheid voor geuren. Dit mag een ingetrapte deur observatie lijken. Maar er is een systematisch getraind onderscheidingsvermogen nodig om de de causaliteit van de zes types van bewustzijn te doorzien. Elk zintuig, elk zintuig object, elk zintuigbewustzijn, is specifiek, waarbij de eerste twee stoffelijk (rupa) en het derde aspect geest (nama).
Er zijn zes dus zes soorten materie die elk specifiek en direct verbonden zijn met de zes objecten en zes bewustzijnstypen. Ze zijn specifiek, en in die zin elementair. Zoals bij alle empirische ervaringen wordt een levend wezen zich enkel van een geur bewust als tegelijkertijd aan de drie voorwaarden wordt voldaan: Er is een geurend object, een geur zintuig en er is aandacht (manasikara).
De zintuig materie die transluscent is voor geur bevindt zich bij de mens exclusief in de neus. De veelgebruikte Pāli zinsnede luidt: ghana-viññeyyā gandhā:geuren waargenomen door de neus.
In de neus treffen we de gewone lichaamsgevoeligheid aan die we ook in de huid hebben. Met de lichaamsbewustzijn sensoren ervaart men zachtheid of hardheid (aarde element) en druk variaties (windelement) van de adem. De luchtstroom voelt ook kouder bij inademing en warmer bij uitademing (vuurelement). Deze lichaamssensaties zijn van een andere aard als de geur gewaarwording en worden ook bij andere zintuig organen ervaren en door andere zenuwen ge-innerveerd. De elementaire geur-zintuig-materie of receptor zit heet ghāna dhātu in goed Pali.
In de oude athasalinini tekst vinden we een vermelding over de locatie van de geurorgaan materie.
“In the interior of the compound organ of the nose, at a spot shaped like a goat’s hoof, tended, supported, guarded, attended [as aforesaid], it stands duly fulfilling the nature of the basis and door of olfactory cognition, etc.”
Het geiten-hoef beeld is passend voor de beschrijving van de zeefplaat (Lamina cribrosa ossis ethmoidalis). Over het zeefplaat bot ligt het olfactorisch slijmvlies (epitheel). Dit alles bevindt zich aan de bovenzijde van de neusholte. Het zeefbot is doorzeeft met reukzenuw kanalen die richting hersenen voeren.
Geuren hebben iets specifieks. Geuren geven een accurate eerste indruk. Ik las ooit van een oorlogscorrespondent dat oorlogsgebieden een bepaalde niet te beschrijven geur/stank hebben. De geur van deugdzaamheid gaat zelfs tegen de wind in[1]. En de kamer van de Boeddha in het bos van prins Jeta, in Anathapindika’s klooster, werd de geurende kamer genoemd. Volgelingen van de Boeddha offerde daar veel bloemen. Volgende week gaat de feuilleton verder, met de elementaire materie van smaakzin.


Geef een reactie