De vijf objecten van de vijf zintuigen: zichtbare vormen, hoorbare geluiden, ruikbare geuren, proefbare smaken en tastbare hardheid, warmte en beweging.
Eerste deel, het object van het oog, zichtbare vormen.
Dit feuilleton over de fysieke en mentale elementen bespreekt de basale kenbare aspecten van die entiteiten. Het gaat over dingen die in de werkelijkheid bestaan. In elk lichaam zijn bijvoorbeeld de vier grote elementen te ervaren. Te weten het voelt hard of zacht, er is warmte of koude, het heeft een bepaalde indrukbaarheid en het beweegt of kan druk zetten. Met het lichaamsgewaarzijn is dit direct, in het hier en nu, te ervaren. De overige vier zintuigen hebben ook hun eigen domein. Met het menselijk oog kunnen we geen warmte zien of voelen. Het oogzintuig heeft een eigen sfeer waarin het vermogens heeft, namelijk rūpa. Rupa is een veelzijdige term[1], die hier zichtbare vorm betekent.
Vanuit de psychologie en neurologie weten we dat we geen auto’s of fietsen zien. We zien een gestalt, een beeld dat we daarna als in een flits interpreteren als iets dat op eerdere zintuig impressies lijkt. Baby’s en kinderen zijn hard bezig om zich daarin te bekwamen. Het zintuig object van het oog is slechts die zichtbare vorm. De wereld is echt zegt de Boeddha (yathābhūta). En deze zichtbare vormen zijn dan ook gerelateerd aan de tast gewaarwordingen. Baby’s willen daarom alles in hun mond stoppen. Met je mond kan je pas goed voelen tenslotte. Tast en zicht hebben wel een, elementair verschillende aard. De tast kan voelen welke kleur een bal heeft. Het oog kan voelen hoe koud of warm de bal is. Het oog functioneert alleen bij licht terwijl de tast daar geen last van heeft. Een tastbare vorm bevat dus elementair andere elementen als een zichtbare vorm.
Elk fysieke ding wordt met de veel betekenende term rūpa aangeduid. Rūpa komt voor in het afhankelijk ontstaan (van onprettige dingen zoals geboorte, ouderdom, ziekte, dood, verdriet, pijn, etc.) voor in de filosofische combi van nāma-rūpa (naam en vorm). Wat zich dan ook in het universum afspeelt is met een naam, een aanduiding te beschrijven. Alleen het nibbāna element, dat part nog deel heeft aan het universum, valt erbuiten, maar heeft wel een naam en kan in ditzelfde leven gekend worden.
Zowel oog als zichtbare vorm zijn de gegeven voorwaarden voor zicht. De term gegeven heet in goed Pali dhatū. De term dhātu is etymologisch verwant aan dāna gift, donatie. Net als de woorden datum, data en antidotum. Het is allemaal een gegeven. We hebben het ermee te doen. De inzet van de yogi is echter zich te trainen hoe ermee om te gaan.
Zolang een wezen behept is met een oog, en zolang oog objecten zich aandienen, zal er een gevoel (vedanā) opkomen, tegelijkertijd met het oogbewustzijn. Mooie ervaringen die niet geheel afgerond beleeft worden zullen al rap een hunkering naar herhaling opwekken. En deze hunkering is voldoende reden voor herhaald tot wording komen in de schoot. Er zijn ergere dingen, maar het schiet ook niet echt op. Vandaar dat de Boeddha voorstander is van wel geheel beleefde ervaringen (de beoefening van attentie). Als iets met attentie beleeft wordt ziet men iets is mooi… en ziet men ook mooi wanneer het voorbij is.
Het tijdelijke kan, hoe fijn aangenaam goed en steunend het ook, werkelijk, is, niet blijvend zijn. Daarom zijn ook wenselijke zaken filosofisch gezien ongenoeglijk. Het leven is wat dat betreft onverzadigbaar. En het verlangen, de hunkering naar iets wat niet kan verzadigen wordt hanteerbaarder wanneer er een zekere ontnuchtering, een niet-meer-geobsedeerd- zijn optreedt ten aanzien van het geziene (gehoorde, gedachte etc.). Dan komt er ruimte en een minder reflexmatige reactie op zowel het aangename als het onaangename. Er komt kennis op, dat het oog verouderd en achteruit gaat en ook die mooie bloem met de herfst verwelkt zal zijn. Al dat mooie in de wereld is op een niet te beheersen manier vergankelijk. Of het blijft grofweg hetzelfde maar gaat op een of andere manier vervelen. Die nuchterheid culmineert ten slotte in een bevrijding uit de betovering. En daarbij ontstaat een vrijheid die elke gebruikelijke vrijheid te boven gaat. En een kennis die gewone kennis te boven gaat, het doorzien van het zien.Wanneer hij met juiste aandacht de opkomst en ondergang ziet van de groepen der bestaan;
Hij verkrijgt dan telkens vreugde en geluk. Voor wie het weet, is dit het Doodloze.[2]


Geef een reactie