Rondom de Eerste Wereldoorlog was er een Engelsman uit een gegoede familie, die op zoek was naar de zin van het bestaan nadat hij op de slagvelden van België en Frankrijk gediend had. Hij overleefde de verschrikkingen van de oorlog, maar de structuur van zijn denken en voelen was uiteengereten door de granaatinslagen en het gedonder van het geschut. Thuis, in de beschutte omgeving met zijn aristocratische ouders, kon hij die structuur ook niet zelf herstellen, met of zonder whisky. Hij herbeleefde in menig nachtmerrie de hel van verscheurde lichamen in loopgraven vol modder. Hij vond zijn draai ook niet meer in zijn voormalig veilige familiebestaan. En trok op een regenachtige novemberochtend het hek van het voorvaderlijk landgoed achter zich dicht en ging, met vrijwel geen bagage, doch slechts een een rugzakje en weinig geld op zak op zoek.

