Er is de hartslag van de dieselmotor en er is mijn ademhaling. We zijn één lichaam. Als ik inadem adem ik het leven in. Als ik uitadem adem ik het leven uit. ‘Leef je leven!’, mediteer ik achter het stuur bij elke inademing. ‘Het is goed zo’, bij elke uitademing. Steeds opnieuw geboren worden en sterven. Hier en nu. Ademtocht na ademtocht proberen goed te doen, liefdevol te zijn. Dat is mijn pad (waar ik onafgebroken op struikel). Mijn kringloop zal eindigen met een finale uitademing en het afleggen van het laatste lijden. Dan is het stil. Zo stel ik het me vanavond voor. Weten doe ik het niet.

Af en toe glijdt het licht van een straatlantaarn door de bus. Wachters in de nacht. Waarop te wachten? Ik heb het binnenlicht gedempt om de hinderlijke weerspiegeling van het interieur in de voorruit tegen te gaan. De vrouw heeft niet bewogen. Haar lange grijze haren rusten op haar schouders. In het zwakke licht kon ze ook een kind zijn.

Ik kan me niet herinneren waar en wanneer ze was ingestapt. Wel dat haar fragiele verschijning in de duisternis nauwelijks te onderscheiden was geweest. Een krant gleed door de bus terwijl ik stopte. Met één hand op een wandelstok leunend had ze moeizaam de bus beklommen. Ik was opgestaan om haar te hulp te schieten. Op dat moment had ze haar verstilde, gerimpelde gezicht naar mij opgeheven. In haar vloeibare ogen las ik de stille kracht van bevrijding, van verkozen weerloosheid. Meer nog had ik gezien. Zij had geleefd, zij had geleden en zij had losgelaten. Woorden, zelfs gelaatsuitdrukkingen waren plotseling primitieve vormen van communicatie geworden. Overbodig ook. Er was iets anders voor in de plaats geweest. Iets dat al bijna niets was. Ik was terug in mijn stoel gezakt. Zij had halverwege de lege bus een stoel gevonden.

Inademen, uitademen. Steeds opnieuw geboren worden en sterven. Als de werkslagen van de motor onder me. In de binnenspiegel zie ik haar plotseling in het gangpad staan, de perkamenten handen rond een aluminium stang geklemd. Zacht remmend parkeer ik de bus dicht langs de stoeprand van de halte. Als ik de uitstapdeur open kijkt ze vanuit de schemering in mijn richting.  Nu pas herken ik de gestalte van mijn moeder. Haar gezicht beweegt niet, maar haar ogen fluisteren: ‘Het is goed zo’. Waardig en ontspannen stapt ze de bus uit en gaat op in het donker. Een laatste ademtocht streelt mijn wang. Tegen haar stoel staat een wandelstok.

Categorieën: Nieuws, Eelco van der Meulen, Columns
Tags: , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu