Wat voor spirituele statussymbolen ben jij gevoelig voor? De nieuwe kleren van de keizer. Deel 2 van een tweeluik over transcendentie en transmissie.

1. De transmissionaris

– Aan hoeveel mensen heb jij transmissie verleend, Hans?

– Wat ben ik, een transmissionaris?

– Een wat?

– Een functionaris in een religieuze organisatie belast met het toekennen, uitdelen, administreren en controleren van spirituele statussymbolen.

– Zoals?

– Diploma’s, certificaten, stambomen, zegels, medailles, strepen, lintjes, gewaden, sjerpen, slabbetjes, hoedjes, namen, titels, functies, onkostenvergoedingen, emolumenten, privéleges en andere parafernalia om de ware mens zonder rang of stand te onderscheiden van het klootjesvolk.1

– Ik wist niet dat zo iemand een transmissionaris heet.

– Het is zijn missie om onderscheid te maken en onderscheidingen uit te delen aan de uitverkorenen, opdat zij en zij alleen er voordeel van ondervinden. Want alle varkens zijn gelijk, maar sommige varkens zijn gelijker dan andere.2

– Met name de transmissionaris.

– Oink.

  1. De ware mens zonder rang of stand: uitdrukking van de Chinese chanmeester Linji
  2. Gevleugeld woord in 1984 van George Orwell.

2. De lege club

– Zo iemand ben jij niet?

– Natuurlijk niet.

– Waarom niet?

– Daarvoor zou ik eerst de nodige titels en rechten moeten verwerven.

– Want die heb jij niet?

– Natuurlijk niet.

– Waarom niet?

– Daarvoor zou ik eerst lid moeten worden van een religieuze organisatie.

– Want dat ben jij niet?

– Officieel niet.

– En officieus?

– Ben ik lid van de religieuze organisatie van mensen die geen lid zijn van een religieuze organisatie.

– Hoe heet die club?

– De lege club.

– Wat propageert de lege club?

– De lege leer.

– Hoe onderscheiden lege clubleden zich?

– Door zich niet te onderscheiden.

– Alle varkens zijn gelijk.

– Ook niet door gelijkheid.

– Streng hoor.

– Juist niet.

– Is het niet gewoon de kift, Hans?

– Ik gun iedereen zijn onderscheidingstekens.

– Maar?

– Voor elke prijs betaal je een prijs.

– En zonder onderscheidingstekens?

– Ben je vogelvrij.

– Dan mag iedereen je afschieten.

– Dan schiet je overal tussendoor.

– Volgens Linji moeten we op eigen benen leren staan.

– Dus niet op die van Linji.

3. Personificaties

– Eigenlijk wilde ik alleen maar weten of jij ooit iemands niet-weten hebt erkend.

– Zeg dat dan meteen.

– En?

– Wat valt er te erkennen aan niet-weten?

– Dat die succesvol doorgegeven en geïntegreerd is?

– Wat valt er door te geven en te integreren aan de lege leer?

– Dus jij hebt nog nooit iemands niet-weten erkend?

– Ik heb niet eens mijn eigen niet-weten erkend.

– Hè?

– Het is niet mijn zoon en ik ben niet zijn vader.

– Het niet-weten heeft jouw erkend, wou je zeggen.

– Het is niet mijn vader en ik ben niet zijn zoon.

– Herkend, dan?

– Schei toch uit met die personificaties.

– Je erkent alleen het niet-weten als zodanig, niet in relatie tot jezelf.

– Ik erken of ontken niets, dus ook geen weten of niet-weten, absoluut of relatief.

– Waarom niet?

– Je kan net zo goed vragen waarom wel.

– Waarom wel?

– Daarvoor zou ik toch eerst mezelf moeten erkennen.

– En dat doe jij niet?

– Mij niet gezien.

– Bedoel je dat het ik niet echt is?

– Daarmee zou ik mezelf ontkennen.

– En dat doe jij niet?

– Mij niet gezien.

– Maar de persoon is toch een illusie?

– In tegenstelling tot?

– Het ware zelf, zou ik zeggen.

– Dan zou ik toch eerst het ware zelf moeten erkennen.

– En dat doe jij niet?

– Mij niet gezien.

– Verwijs je nu naar niet-zelf?

– Ik erken of ontken niets, dit ook niet, laat staan mezelf, het zelf of niet-zelf.

4. Een wijze van spreken

– Het zijn allemaal illusies.

– Dat zeg jij.

– Wat zeg jij?

– Wie kent het verschil tussen illusie en werkelijkheid?

– Bedoel je dat je geen onderscheid meer weet te maken?

– Waartussen?

– Tussen al deze zaken. Jezelf, het zelf en niet-zelf. Illusie en werkelijkheid. Weten en niet-weten.

– Eerst maar eens vaststellen of het wel zaken zijn.

– In plaats van?

– Gedachten, ideeën, woorden, wanen.

– Bedoel je dat er misschien helemaal geen niet-weten is?

– Misschien niet in de zin die jij eraan geeft.

– Welke zin geef ik eraan?

– Die van een entiteit, een toestand, een vermogen, een verworvenheid. Iets om je mee te onderscheiden.

– Toch komt jouw niet-weten op mij volstrekt authentiek over.

– Dan zal dat het verschil wel zijn.

– Al was het maar omdat jij zelfs je eigen niet-weten weigert te erkennen.

– Dat kan ik niet bevestigen.

– Maar kan jij op een of andere manier zien of voelen of anderszins vaststellen of iemands niet-weten echt is?

– Vaststellen is weten.

– Ik bedoel, denk jij dat ik de lege leer heb gerealiseerd?

– Nee.

– Waarom niet?

– De lege leer bestaat niet. Het is een wijze van spreken.

– Denk jij dat ik niet-weet?

– Nee.

– Waarom niet?

– Niet-weten bestaat niet. Het is een wijze van spreken.

– Welke wijze van spreken?

– Deze wijze van spreken.

– Denk jij dat ik bij wijze van spreken niet-weet?

– Je spreekt zoals je spreekt, hoe je het ook noemt.

– Hoe zou jij het noemen?

– Mij is het om het even.

– Dan kan je mij net zo goed transmissie verlenen.

– Wat ben ik, een transmissionaris?

Spirituele statussymbolen zoals stambomen, zegels, medailles, strepen, lintjes, gewaden, sjerpen, slabbetjes, hoedjes, namen, titels en andere parafernalia om de ware mens zonder rang of stand te onderscheiden van het klootjesvolk.

‘Transmissie is carnaval’ is deel 2 van de tweeluik Transmissie en transcendentie.

Volgende week deel 3: Transparantie en transpiratie

Vorige week deel 1: Transcendentie is een val

Lees ook Slapstick én Poppenkast

 

Categorieën: Hans van Dam
Tags: , , , , , , , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu