Afgelopen zondag publiceerde het Boeddhistisch Dagblad een artikel over zelfdoding in relatie tot wat de boeddhistische leer daarover zegt. Een aantal boeddhisten beargumenteerden het thema, dat voornamelijk over het begrip karma gaat. Zelfdoding komt volgens de boeddhistische leer voort uit begeerte en creëert negatief karma waardoor het bereiken van het nirvana wordt uitgesteld. In de Pali-Canon handelt een aantal sutta’s over zelfdoding. In de Vesåli-sutta (Vesåli SN V 320-322) loopt het volledig uit de hand, als tientallen monniken de hand aan zichzelf slaan, nadat de Boeddha lovend over het onreine en de meditatie op het onreine had gesproken en zich daarna twee weken in afzondering terug trok.

  1. ALDUS HEB IK GEHOORD.

Eens verbleef de Verhevene in Vesåli, in het Grote Bos, in het Huis met het Puntdak.

  1. In die tijd nu hield de Verhevene op allerlei manieren een toespraak over het onreine, sprak hij lovend over het onreine, sprak hij lovend over meditatie op het onreine.
  2. Toen dan richtte hij zich tot de monniken: ‘Monniken, ik wens mij twee weken in afzondering terug te trekken. Niemand mag naar mij toekomen, behalve één die mij bedelvoedsel komt brengen.’

‘Goed, Heer,’ antwoordden die monniken de Verhevene instemmend. En niemand ging naar de Verhevene toe, behalve één die hem bedelvoedsel bracht.

  1. Daarop dachten die monniken: ‘De Verhevene hield op allerlei manieren een toespraak over het onreine. Hij sprak lovend over het onreine, hij sprak lovend over meditatie op het onreine’ en zij leefden toegewijd aan de praktijk van meditatie op het onreine, in haar verschillende vormen en aspecten. Ontdaan, overstuur en walgend van dit lichaam zochten zij iemand die hen doden wilde. Op één dag sloegen tien monniken de hand aan zichzelf of aan elkaar (1). Ook wel sloegen op één dag twintig of dertig monniken de hand aan zichzelf of aan elkaar.
  2. Toen dan, toen de Verhevene na het verstrijken van die twee weken uit zijn afzondering teruggekeerd was, richtte hij zich tot de eerwaarde Ånanda: ‘Waarom toch, Ånanda, lijkt de monniksgemeenschap zo uitgedund?’
  3. ‘Dat komt, Heer, doordat, toen de Verhevene op allerlei manieren een toespraak had gehouden over het onreine tegenover de monniken, hij lovend had gesproken over het onreine, [321] hij lovend had gesproken over meditatie op het onreine, zij toegewijd leefden aan de praktijk van meditatie op het onreine, in haar verschillende vormen en aspecten.’ Daarop vertelde Ånanda wat er vervolgens gebeurd was. ‘Het zou goed zijn, Heer, als de Verhevene een nieuwe instructie zou geven, zodat deze monniksgemeenschap gevestigd kan raken in bevrijdend inzicht.’
  4. ‘Goed dan, Ånanda, verzamel alle monniken die in de buurt van Vesåli verblijven in de gemeenschapshal.’

‘Ja, Heer,’ antwoordde de eerwaarde Ånanda de Verhevene instemmend en hij deed wat hem opgedragen was. Vervolgens ging hij naar de Verhevene toe. Bij hem gekomen sprak hij de volgende woorden: ‘Heer, de monniksgemeenschap is verzameld. Doet u nu waarvoor u de tijd gekomen acht.’

  1. Toen dan ging de Verhevene naar de gemeenschapshal toe. Daar aangekomen zette hij zich neer op de toebereide zetel. Terneer gezeten richtte de Verhevene zich tot de monniken:
  2. ‘Deze concentratie door aandacht voor de ademhaling, monniken, is, wanneer zij ontwikkeld en gepraktiseerd wordt, vredig en verheven, een sublieme en gelukkige toestand, en zij verdrijft slechte, onheilzame geestestoestanden onmiddellijk, zodra ze ontstaan, en brengt ze tot rust.
  3. Zoals, monniken, in de laatste maand van het hete seizoen, als er stof en vuil opgedwarreld is, een grote regenwolk die buiten het seizoen optreedt, dit onmiddellijk doet verdwijnen en tot rust brengt, net zo is de concentratie door aandacht voor de ademhaling, wanneer zij ontwikkeld en gepraktiseerd wordt, vredig en verheven, [322] een sublieme, gelukkige toestand en verdrijft zij slechte, onheilzame geestestoestanden onmiddellijk, zodra ze ontstaan zijn, en brengt ze tot rust.
  4. En hoe moet de concentratie door aandacht voor de ademhaling ontwikkeld en gepraktiseerd worden?

12-18. Welnu, nadat een monnik naar een plek in de wildernis is gegaan, naar de voet van een boom of naar een lege hut, gaat hij met gekruiste benen zitten, met rechte rug, terwijl hij zijn aandacht richt op zijn onmiddellijke omgeving.

13.Als hij lang inademt, weet hij dat hij lang inademt; als hij lang uitademt, weet hij dat hij lang uitademt. Als hij kort inademt, weet hij dat hij kort inademt; als hij kort uitademt, weet hij dat hij kort uitademt.

  1. Hij oefent zich om het hele lichaam te ervaren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om het hele lichaam te ervaren, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om de aandrijfkracht van het lichaam (2) tot rust te brengen, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de aandrijfkracht van het lichaam tot rust te brengen, terwijl hij uitademt.
  2. Hij oefent zich om vreugde te ervaren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om vreugde te ervaren, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om geluk te ervaren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om geluk te ervaren, terwijl hij uitademt.
  3. Hij oefent zich om de aandrijfkracht van de geest (3) te ervaren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de aandrijfkracht van de geest te ervaren, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om de aandrijfkracht van de geest tot rust te brengen, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de aandrijfkracht van de geest tot rust te brengen, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om de geest te ervaren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de geest te ervaren, terwijl hij uitademt.
  4. Hij oefent zich om de geest te verblijden, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de geest te verblijden, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om de geest te concentreren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de geest te concentreren, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om de geest te bevrijden, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de geest te bevrijden, terwijl hij uitademt.
  5. Hij oefent zich om de onbestendigheid te observeren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de onbestendigheid te observeren, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om het wegebben te observeren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om het wegebben te observeren, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om het ophouden te observeren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om het ophouden te observeren, terwijl hij uitademt (4). Hij oefent zich om het loslaten te observeren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om het loslaten te observeren, terwijl hij uitademt.
  6. Zo ontwikkeld, monniken, zo gepraktiseerd is deze concentratie door aandacht voor de ademhaling vredig en verheven, een sublieme en gelukkige toestand, en verdrijft zij slechte, onheilzame geestestoestanden onmiddellijk, zodra ze ontstaan, en brengt ze tot rust.’ (2688)

 

  1. Letterlijk staat hier: ‘Zij hanteerden het mes.’ Het commentaar legt uit dat zij zichzelf en elkaar doodden.
  2.  De ‘aandrijfkracht van het lichaam’ is de ademhaling zelf. Zie Vetter (2000), p. 37.
  3.  De ‘aandrijfkracht van de geest’ wordt gevormd door cognitie (saññå) en gevoel (vedanå). Zie De Breet en Janssen (2004), p. 462 (MN I 301).
  4.  Het observeren van de onbestendigheid is het beschouwen van de vijf geledingen van de persoonlijkheid als onbestendig, omdat zij onderworpen zijn aan opkomen, ondergaan en verandering, of omdat zij momentane ontbinding ondergaan. Het observeren van het wegebben en het observeren van het ophouden kunnen begrepen worden als het inzicht in de momentane vernietiging en het momentane ophouden van de verschijnselen en als het realiseren van nirvana door het wegebben van hartstocht en het ophouden van de drijfveren. Het observeren van het loslaten is het opgeven van bezoedelende affecten door inzicht en het bereiken van nirvana (vgl. Bodhi (2000), p. 1950).
Ook in andere sutta’s wordt het thema zelfdoding aan de orde gesteld. Zoals in de  Channa-sutta-SN IV 55-60, de Godhika-sutta-SN I 120-122 en de Vakkali-sutta-SN III 119-124. De vertaling is van Rob Janssen en Jan  de Breet.
De Pali-Canon bestaat uit drie hoofdafdelingen die samen de  Tipitaka, de ‘drie manden’ worden genoemd. In de Vinaya-Pitaka worden de orderegels voor monniken en nonnen uiteengezet. De  Sutta-Pitaka  bevat de leerredes (sutta’s) van de Boeddha. De Abbidhamma die een schematische weergave bevatten van de leer van de Boeddha.-Pitaka is een verzameling van scholastische teksten

Categorieën: Boeddhisme, Dharma en filosofie
Tags: , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

1 reactie op ‘Ontdaan, overstuur en walgend van dit lichaam zochten zij iemand die hen doden wilde’

  1. Arjan Schrier schreef:

    Deze sutta deed mijn vertrouwen in de goedheid/ vooruitziendheid van de Boedha wel even wankelen. Later las ik dat er in een oude begeleidende tekst verklaard werd dat deze groep bhikkhu’s in een voorgaand bestaan gezamelijk op jacht gingen. De Boeddha voorzag dat dit kamma tot rijping zou komen. Door de bhikkhu’s op pus, haartjes, inwendige urine en oorsmeer te laten mediteren waren ze niet verkleefd aan het lichaam en zorgde beter huidig karma voor een gunstige wedergeboorte. Vragen om gedood te worden is overigens ook moord in de vinaya.

    Als er aan vier condities voldaan wordt is er sprake van doden (in casu dieren) of moord (in casus mensen):
    1 Er is een levend wezen
    2 Er is de wens het te doden
    3 Er wordt een methode toegepast met dat beoogde doel
    4 Ten gevolge van de toegepaste methode sterft het levende wezen.

    Degene die voor de bhikkhu’s met een doodswens het mes hanteerde.

    De Boeddha sprak nooit prijzend over de dood. Niet als een oplossing. Als b.v. een bhikkhu iemand de wil tot leven doet opgeven door dit bestaan af te kraken en een volgend bestaan te prijzen en hij bewerkstelligd zijn doel, zijn de vier bovenstaande condities vervuld, is hij een moordenaar en ter plekke geen bhikkhu meer.

    Ik kan het oude commentaar op dit moment even niet vinden.

Menu