Een voorgaand artikel eindigde met: “Je komt pas echt aan leven toe, wanneer je klaar bent met sterven!” en “Voor jouw eigen sterven en dood weglopen heeft geen zin. Zonder dat je het beseft, verander je daardoor jouw bestaan in één lange vlucht, tot je keihard geconfronteerd wordt met precies dát waar je voor op de vlucht bent.”

Sterven is te leren, tot het punt waarop er geen enkele angst, vrees of huiver meer is voor de eigen dood. Hoe? Door het te doen. Begrijp me goed: ik pleit niet voor onverantwoord spelen met het leven, laat staan voor het jezelf tot de rand van de fysieke dood brengen. Nee! Ik heb het over het aangaan van de confrontatie met de dood en het doorlopen van verschillende fasen van het stervensproces die Kübler-Ross heeft aangegeven: ontkennen – negeren – boosheid / opstandigheid – onderhandelen – berusten – accepteren. Ik ga er van uit dat hoe eerder je deze fasen doorloopt, soms zelfs meerdere keren en in wisselende volgorde, hoe beter voorbereid je zult zijn, tot uiteindelijk alle angst en vrees is verdwenen.

Ik denk hierbij aan het volgende voorbeeld (mij verteld als waar gebeurde geschiedenis uit Tweede Wereldoorlog – en ik vertel het hier vrij na). Een klooster wordt ingenomen door een groep soldaten. De commandant staat bekend als een niets en niemand ontziende wreedaard. Wanneer hij voor de abt staat, die geen enkel blijk geeft van angst, brult hij: ‘Weet jij wel wie ik ben? Ik ben in staat jou hier ter plekke te doden zonder met mijn ogen te knipperen!’ De abt antwoordt rustig: ‘En ik ben in staat om hier ter plekke te sterven, zonder met mijn ogen te knipperen.’ Het verhaal gaat dat dit antwoord de commandant zo van zijn stuk bracht, dat hij de abt de rug toekeerde en wegliep. Bestaan er echt zulke mensen als de abt? Ja, daar ben ik van overtuigd en zo af en toe vernemen wij van hun bestaan, bijvoorbeeld in oorlogsgebieden zoals in Syrië. Maar dat betekent niet dat je ze ergens anders niet zou kunnen vinden. Ze maken alleen geen reclame voor zichzelf, timmeren niet aan de weg en leven doorgaans volstrekt onopvallend onder ons.

Wanneer kun je het best beginnen met jezelf voor te bereiden op jouw eigen dood? En hoe doe je dat? Het zou mooi zijn wanneer ouders en opvoeders kinderen al op zeer jeugdige leeftijd op weg helpen door hen géén kans te geven ‘dood’ te negeren of te ontkennen. De dood is voor alles wat leeft gelijk, of het nu om een vlieg gaat, een huisdier, een slachtkip of een familielid als opa of oma. Breng wat “ver van je bed” is over naar “in je eigen bed”. Dood is dood, en kent geen plaats, tijd of status. En hoewel het proces dat aan de dood voorafgaat veel variaties kent valt daarover al veel uit te leggen aan kleine kinderen, bijvoorbeeld dat het in de regel anders verloopt dan dat het hen in videospelletjes, televisieseries, films en journaalbeelden wordt voorgeschoteld. Voor sterven is daarin vaak geen tijd. Het moet snel gebeuren, want het verhaal moet verder. In games spat je bijvoorbeeld eerst uit elkaar, maar heb je vervolgens nog een aantal levens om verder te gaan waar je gebleven was. Uit ervaring weet ik dat menigeen een vals, zo niet volledig verknipt beeld heeft van hoe stervensprocessen op doordeweekse dagen in rijtjeshuizen verlopen; zomaar ergens in een vredig dorpje of saaie slaapstad. Daarom: besteed als opvoeders al aandacht aan het sterven door kinderen er volwaardig – maar op hun eigen niveau – bij te betrekken, in plaats van ze er van weg te houden.

Dat het leven kwetsbaar is en dat je daarom altijd op de dood voorbereid moet zijn, kun je kinderen ook al heel jong bijbrengen. Dat niemand weet wanneer, waar en hoe het leven tot een einde komt, verwoordde Toon Hermans zo:

Ga nooit weg zonder te groeten,
ga nooit heen zonder een zoen.
Wie het noodlot zal ontmoeten,
kan het morgen niet meer doen.
Loop nooit weg zonder te praten,
dat doet soms een hart zo pijn.
Wat je ‘s morgens hebt verlaten,
kan er ‘s avonds niet meer zijn.

Een mooi vers, glashelder in alle eenvoud. Praat erover! En belangrijker nog: breng het in praktijk, al valt dat lang niet altijd mee, en daarom geef ik onmiddellijk toe dat ik op dit punt lang niet altijd zelf het goede voorbeeld heb gegeven. Gelukkig zonder daar achteraf spijt van te hoeven hebben, maar toch.

Voor wie de fasen van ontkennen en negeren achter zich heeft gelaten zal het duidelijk zijn dat sterven algemener is dan verhuizen, van baan veranderen, op vakantie gaan of een kind krijgen. Want lang niet iedereen verhuist of verandert van baan of gaat op vakantie of krijgt een kind, maar iedereen sterft wél! Sterven is zo normaal, dat over sterven spreken en er met elkaar over van gedachten óók normaal zou moeten zijn. “Ja, mijn kind . Opa sterft, oma sterft, pappa gaat een keer dood, mamma ook, net als iedereen. Zelfs jij. Is dat erg? Nee.” Weet je wat erg is? Kinderen weghouden van sterven en dood en het er met hen niet over durven hebben, want juist dat zwijgen draagt de angst die volwassenen hebben over op de kinderen. Ik heb meegemaakt hoezeer het een oudere man opluchtte toen zijn kleindochter van zes onbevangen aan hem vroeg: “Opa, ga jij dood?’. Hij antwoordde: “Ja”. De ouders van het kind hadden daar zichtbaar moeite mee, en probeerden het gesprek krampachtig op een ander onderwerp te brengen, maar hun dochter liet zich niet van de wijs brengen. Achteraf vertelde de man mij dat hij het heel vervelend had gevonden dat iedereen het onderwerp meed als de pest, en dat hij blij was dat zijn kleinkind het taboe had doorbroken.

Wanneer mensen door krijgen dat ontkennen en negeren van hun eigen sterfelijkheid zinloos is, kan opstandigheid en boosheid de boventoon gaan voeren, met name bij de jongeren: “Waarom ben ik überhaupt geboren als ik toch weer dood moet gaan?” Of, zoals mijn jongste zoon eens riep: “Geboren worden om dood te gaan, is gewoon shit!”. Mijn zennig antwoord: “Shit happens” kon hij op dat moment niet waarderen. Laatst liet hij zich die woorden zelf ontvallen, met een grijns.

Boosheid en opstandigheid kunnen bij levenslustige jongeren gemakkelijk leiden tot nemen van grote risico’s: het tarten van het lot en het uitdagen van de dood. Vooral jongeren die door welke oorzaken ook weinig perspectieven voor hun leven zien (denk aan: geen geld, geen partner; geen werk; geen doel) , neigen daar soms toe. “Nu ik weet dat ik ooit moet sterven, bepaal ik zelf wel hoe en wanneer. En dat is niet zo en nu. Ik ben de baas!” Vervolgens gaan ze als martelaar ergens vechten (overtuigd van een beter hiernamaals?). Of scheuren ze met hoge snelheid over onze wegen. Duiken ze in een tropische omgeving met doodsverachting tussen rotsen en koraalpunten in zee. Dan wel nemen ze ergens flinke hoeveelheden drank of drugs tot zich. Boosheid en opstandigheid leidt gemakkelijk tot riskant leven onder het motto van: yolo (You Only Live Once). Anderen maken uit opstandigheid een bucketlist die meer dan één levensspanne vereist om aan te voldoen, maar proberen die wel in de helft van de vereiste tijd af te vinken. Volgens mij is dat géén leven, maar een gevecht mét het leven dat duidelijk heeft gemaakt dat het niemand eeuwig trouw zal zijn. Wat rest is diepe machteloosheid jegens zulk wreed verraad. Je kunt er ook niets tegen doen, behalve gezonde zelfcompassie ontwikkelen. En als je als medemens iets wilt doen, is tonen van compassie met de opstandeling ook het enige. Dat moet je dan natuurlijk wel eerst hebben ontwikkeld. De ander kalmeringsmiddelen voorschrijven is het laatste wat je moet doen, want daardoor duw je de opstandeling terug in negeren en ontkennen.

Mensen die zich door het leven verraden voelen, hebben volgens mij vooral behoefte aan rolmodellen die in de praktijk van alledag voorleven hoe je als individu zelf zin en betekenis kunt geven aan het eigen bestaan. Helaas timmeren aansprekende rolmodellen zelden aan de weg en blijven herkenbare voorbeelden vaak op de achtergrond. In plaats daarvan timmeren er allerlei handige managers van even zovele roemdronken idolen aan de weg. Omhooggevallen religieuze leiders, populariteitsgeile politici en door geld bedwelmde zakenlieden bestoken de argeloze zin- en betekeniszoeker met dogma’s, voorschriften, regels en wetten. Enerzijds met de belofte: “Volg of doe dit en alles komt goed,” anderszins met de dreiging: “Als jij dit niet doet of volgt, dan staan wij niet voor de gevolgen in!” Zin en betekenis van het leven zijn gereduceerd tot: “Gehoorzaam aan wat ooit ergens door iemand zo is opgeschreven”. Het maakt volgens mij niet eens uit waarin: de Pentateuch, Bijbel,  Koran, Edda, de Ban van de Ring trilogie of de Harry Potter-reeks. Overal is wel wat van te maken. Voor wie niet zelf wil, kan of durft nadenken, is het fijn dat anderen de zin en betekenis van het leven al gevonden en voorgeschreven hebben, als ware het een recept voor geluk. De moedige die twijfelt of wat anderen bedacht hebben óók voor hem of haar persoonlijk geldt, rest “slechts” het avontuur om zelf op onderzoek uit te gaan, om zelf ervaringen op te gaan doen en zelf ontdekkingen te doen. En gaande dat avontuur, zelf onderzoekende, zelf ervarende en zelf ontdekkende, ontvouwt zich langzaam maar zeker de zin en de betekenis van het eigen leven als vanzelf. En het blijkt niet overdraagbaar!

Nadat boosheid en opstandigheid voorbij zijn, breekt de fase van onderhandelen aan. Reden? Die kun je zo verwoorden: “Nu ik eindelijk zin en betekenis heb gevonden voor mijn bestaan, wil ik ook zo lang mogelijk bestaan!” Sterven en dood worden niet langer genegeerd of ontkend, zelfs als realiteit geaccepteerd, maar het komt nu niet goed uit! Zo simpel is het. “Beste Magere Hein, ga alsjeblieft eerst maar naar anderen. Weet je wat? ALS ik dit of ALS ik dát, DAN …”. Dit komt neer op het ondernemen van pogingen de dood af te kopen. Dat gebeurt in onze van geld vergeven maatschappij massaal. Er hangen daardoor zelfs prijskaartjes aan levensjaren. Hoeveel kost een mensenleven? Opmerkelijk daarbij is dat een mensenleven in ontwikkelde landen (lees: volledig vereconomiseerde landen) “meer waard” lijkt te zijn dan in zogenoemde “ontwikkelingslanden” (lees: landen waar de meeste mensen niks te makken hebben). In Nederland discussiëren we zelfs al op hoog niveau of een paar extra levensmaanden van één mens met kanker, tachtig- of negentigduizend Euro mag kosten of zelfs een kwart miljoen. Dat zijn bedragen waar hele gezinnen elders op de wereld het hun hele leven mee moeten doen! Maar wij hebben er geld voor, en daardoor kunnen wij er met zijn allen over onderhandelen met Magere Hein. Denken we. Laatstgenoemde zal het namelijk worst zijn, want hij komt uiteindelijk toch wel. Hij geeft niets om geld. De grote verliezer is het Leven. Op alle fronten.

In onze sterk geïndividualiseerde westerse maatschappij dreigt het uitstellen van de eigen dood en die van dierbaren en het oprekken van het stervensproces langzamerhand een nationale gekte te worden. Het komt mij voor dat menig arts aan deze gekte meedoet, of daar in ieder geval medewerking aan verleent. Waarom? Omdat de gekte niet alleen aanstekelijk is (hoe anders kan het epidemische vormen aannemen), maar ook financieel behoorlijk loont! Velen verdienen goud geld door te strijden tegen de dood en het helpen voorkomen dat mensen “onnodig sterven.” Het lijkt er af en toe op dat er niemand meer dood mag gaan aan hartaandoeningen, kanker, infecties, ongelukken. En dan? Blijft iedereen leven? Voor eeuwig? Dat wordt de hel op aarde, dat garandeer ik. Maar let wel: ik zeg niet dat we alle medische behandelingen maar moeten staken. Zolang die behandelingen gericht zijn op het behouden en verbeteren van de levenskwaliteit in plaats van op de duur ervan, ben ik er voor. Mits die behandelingen niet onevenredig belastend zijn voor alle anderen daarom heen. Dat zeg ik er graag bij! Ik maak zelf ook gebruik van de moderne gezondheidszorg, maar er zijn grenzen. Die geef ik ook aan.

De praktijkondersteuner van mijn huisarts viel bijna van haar stoel tijdens een dialoog, die ongeveer zo verliep:
“Ik heb hier de uitslagen van het bloedonderzoek. Gelet op de hoogte van de cholesterolwaarden, hebt u zo’n 8 procent kans dat u ten gevolge van een hartinfarct komt te overlijden.”
“O, ” onderbrak ik haar, “Dat valt me tegen. Dat mag wel wat hoger.”
“Hoe bedoelt u?”
“Wat ik bedoel is dat ik 92 procent kans om aan iets anders dood te gaan dan aan een hartinfarct, nogal hoog vind.”
“Wat wilt u daarmee zeggen?”
“Dat ik liever dood ga aan een hartinfarct, dan bijvoorbeeld aan een langzaam verlopende ontluisterend proces waarin ik aan het einde volkomen afgetakeld ben.”
“Maar, maar een hartinfarct kan onverwacht plaatsvinden.”
“Ja. Ik ben er op voorbereid dat ik ieder moment kan sterven. Als ik niet uitkijk op straat of een ander kijkt niet uit, dan lig ik zomaar onder een auto. En laatst ben ik bijna gestikt in het velletje van een sinaasappel.”
“U neemt mij niet serieus!”
Hoe het ook zij, ze kreeg mij niet aan de cholesterolremmers en we gingen in wederzijds onbegrip maar vriendelijk groetend uit elkaar, tot de volgende afspraak. Ik gebruik tenslotte een aantal medicijnen tegen hoge bloeddruk, en af en toe een vinger aan de pols is nuttig om overdosering te voorkomen. En ik zal beter opletten dat ik minder harde vetten eet, mijn gewicht binnen de perken houden en voldoende beweging nemen. Ik ga van het voorjaar maar eens meer dan duizend kilometer als Dharmapelgrim lopen naar Trondheim.

Waarom schrijf ik dit? Om duidelijk te maken dat je zelf grenzen moet stellen aan met wie je waarover onderhandelt. Met de dood valt niet te onderhandelen. Je kunt echter wél onderhandelen met jezelf, met de dokter, met de maatschappij. Stel jezelf daarbij de vraag: “Als het niet om de dood gaat, waar gaat het dan wél om?”

Gaat het er misschien om het stervensproces zo lang mogelijk voor jezelf en iedereen onzichtbaar te houden? Dat onzichtbaar houden begint al met het strijden tegen ouderdomsverschijnselen, zoals kraaienpootjes , rimpels, huidvlekken en haaruitval. Allemaal tekenen van verval – lees: sterven. De rek gaat eruit! Het lijkt er in onze maatschappij warempel op dat wie niet jong meer is, al opgegeven wordt, of -iets milder uitgedrukt- als hopeloos geval naar de achterhoede mag afzakken tot de bezemwagen langs komt. In stervende mensen wordt namelijk niet meer geïnvesteerd. Ze hebben géén economische waarde, behalve voor uitvaartverzekeraars, begrafenisondernemers en producenten van memorabilia.

Houd daar nu eens mee op! Ik stel voor om het geld, de energie en de moeite die wij tegenwoordig verspillen aan het onzichtbaar maken van het stervensproces, en aan het toevoegen van enkele moeizame, vaak ontluisterende extra maanden aan een eindig leven, voortaan te gaan besteden aan drie zaken:

Punt 1: betrek kinderen, jongeren en ouderen bij sterven en dood, door bijvoorbeeld van Allerzielen een groter feest te maken dan het nu is; door overledenen thuis op te baren inplaats van weg te stoppen in een mortuarium; door de doden onder ons te houden (er zijn genoeg culturen op deze wereld die laten zien hoe je zoiets kunt aanpakken).

Punt 2: Ontwikkel compassie met iedereen met haaruitval; kraaienpootjes, rimpels, ouderdomsvlekken; senior moments (iets vergeten); moeite met plassen en een kunstgebit. Werk ouderdomsverschijnselen nooit meer weg, maar beschouw ze als tekenen van levenservaring. En geef toe dat levenservaring meer waard is dan goud. En ontwikkel vooral ook compassie met jezelf zodra je doorkrijgt dat je door het leven gefopt bent.

Punt 3: Doe moeite en spaar kosten nog moeite om zelf te onderzoeken; zelf te ervaren; zelf te ontdekken, zelf te LEVEN … en laat dat niet aan anderen over. Deel vervolgens met iedereen die met jou wil delen. Ook dat is een ervaring.

Categorieën: Dharmapelgrim
Tags: , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

2 reacties op Je kunt niet jong genoeg met sterven beginnen

  1. Bolletje schreef:

    Ik vind sterven súper, súper, súper eng. Als ik eerlijk ben.

    Écht, enger dan de engste horrorfilm. Enger dan een vogelspin, in mijn bed.

    Maar als ik sterven niet eng vond, dan bestond ik niet. Want, dan was ik roekeloos geweest en waren mijn ouders roekeloos geweest en bestonden we dus niet. Mijn vader en moeder, wilde ( somehow ) graag overleven en zich voortplanten. Ik wil dat ook. Daarom bestaat de mensheid.

    Bang zijn voor de dood, is dus wíllen leven. Als je bang bent voor de dood, wil je dus blijkbaar leven. Hou je dus blijkbaar van het leven.

    De soort, wilt als grondslag overleven.Net als ademen en eten.

    Ik ben het wel eens met je, dat het een taboe is en dat zoiets een groot probleem is. Als mensen per ongeluk aan sterfelijkheid denken, plannen ze nog snel een vakantie of eten ze een hotdog. Zo worden we allemaal opgejaagd. Het is dweilen met de kraan open. Het hele gekwijl op spullen. Kan mij het schelen, dat je schoenen duur waren. Kan mij die baan schelen, die bonus, dat huis.

    Op school leer je allemaal domme dingen, over hoe je moet functioneren, in deze achterhaalde maatschappij. Maar wezenlijke zaken, worden gemeden als de pest. Daar raken mensen verward van. Die verwarring zien we vandaag de dag.

  2. Gert Rebergen schreef:

    Vooraf: ik wil niet ingedeeld worden in een categorie zoals boeddhist, christen, atheïst, sofist. Elk -isme doet afbreuk aan mijn poging in mijn denken en doen alles opnieuw te assembleren.
    Reactie. Allereerst dank voor het artikel. Met genoegen gelezen. Er staan een paar zinnetjes in bovenstaand stuk die voor mij een doordenking op gang brengen. Ten eerste: “Dood is dood en kent geen plaats, tijd of status.” Ten tweede: “Voor sterven is in films en op tv geen tijd.”
    Beide zinnetjes verwijzen naar de kwaliteit van het sterven c.q. het stervensproces als zodanig. Filosofisch gezien is de doordenking van deze zinnetjes voor mij noodzakelijk als tussenstap om tot een gewogen (houdbaar, verdedigbare, genuanceerde) gelegenheidskader te komen. In het perspectief dat de tweedeling tussen individu – gemeenschap niet ten voordele van ‘individualiseren’ ([neo-]liberalisme) wordt beslecht, maar opnieuw geassembleerd in het licht van ‘individueren’ (gemeenschap van gelegenheden).
    Zie bijv. de poging in het boekje: Mee-sterven. (verkrijgbaar bij internetboekhandels)

Menu