Jaren geleden maakte ik deel uit van een sangha die werd geleid door een sensei met veel aanzien. Hij bezocht stervende mensen en gevangenen in hun cel en leidde goed bezochte retraites. Op een dag, na afloop van een sesshin, spraken we kort met elkaar. Hij verzuchtte dat z’n programma zo bezet was. Bij de eerstvolgende bijeenkomst nam ik bij de beoefening van juist spreken en luisteren het woord. (Vanwege de vertrouwelijkheid van deze beoefening noem ik geen namen. Ze doen er ook niet toe.)
‘Sensei, vorige week vertelde u dat u zo’n druk programma heeft. Ik maakte me daar deze week zorgen over. Drie gedachten kwamen bij mij op. De eerste gedachte was deze. Ik ben niet belangrijk. Ik ben niet belangrijk omdat belangrijkheid verplichtingen met zich meebrengt. Verplichtingen drukken zwaar. Zo zwaar, dat ik er op den duur klein en onbelangrijk van zou worden. Maar ik ben niet onbelangrijk. Ik ben dus belangrijk noch onbelangrijk. De tweede gedachte die bij me opkwam was deze. Ik kan niets voor een ander doen. Ik kan niets voor een ander doen om de eenvoudige reden dat ik niet weet wat de ander nodig heeft. Ik kan alleen het achtvoudig pad van liefde en mededogen proberen te bewandelen, ook om de ander te dienen. Zoals een kunstenaar door niet voor de ander maar vanuit een eigen oorsprong te scheppen, juist dáárom veel voor de ander kan betekenen. De derde gedachte was deze. Het maakt in de aard niet uit wat we doen of niet doen. Want wat u ook doet of niet doet, enkel en alleen omdat ik uw leerling ben vond ik deze woorden.’  ‘Goed gesproken’, zei hij na afloop.
Een paar dagen geleden kwam ik midden in de spits aan op station Driebergen. Ik had vertraging. En haast. Er stonden veel mensen te wachten. Ze stroomden de bus in zodra ik de deuren opende. Plotseling stond er een meisje van een jaar of dertien, veertien voor me. Beugelbekkie. Ze legde drie euro’s voor me neer en zei zonder op te kijken: ‘Doorn’. Om de een of andere reden overviel mij plotseling een weldadige rust. ‘Bedoel je: chauffeur, zou ik bij u een kaartje naar Doorn kunnen kopen?’ Nog steeds niet opkijkend. Maar nu was het verlegenheid geworden. En een beetje plezier. ‘Ja, dat’.  De bus liep vol. Niet iedereen kon zitten. ‘Als je de hele dag op school hebt gezeten word je vanzelf een beetje kortaf, is het niet?’ Giechel. Nu een moment opkijkend. Nog steeds verlegen maar nu ook iets anders. De hectiek van dringende mensen, de acht minuten vertraging, alles was intussen weggevallen. Er was het meisje en er was ik. ‘Oké, krijg je wat extra geld van me terug’. In plaats van een munt van vijftig legde ik twee van twintig en een van tien neer. Verzilverde glimlach.
Ze was wie ze was, niet voor zichzelf, niet voor mij. Het maakte niet uit wat ze deed of niet deed. Maar ze leerde me dat ik altijd – ook midden in de koude drukte, vooral die in mezelf – wakker kan worden en hier en nu kan zijn. Haar naam staat niet in de boeken en ze heeft geen aanzien. Maar ze is een groot meester. Zonder haar had ik deze woorden niet gevonden. U komt haar vast ook tegen. Of hem. Misschien vandaag nog. Of anders morgen.

Categorieën: Boeddhisme, Columns, Eelco
Tags: , , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu