Vanmiddag zat ik op een terras van een klein restaurantje aan het Heemraadsplein in Rotterdam. Er waren veel alleengaanden, een man die een boek las, een glas witte wijn op tafel. Een vrouw wat verderop, met ook een glas witte wijn op tafel. Jonge vaders die met hun kleine kinderen sjouwden. Ik was ook alleengaand.  Ik vroeg me af of het zou gaan regenen, donkere wolken hingen boven het restaurantje. Ineens leek alle geluid weg te vallen en kwam ik in een melancholische herfstsfeer terecht, zoals je die vroeger wel had tegen sinterklaastijd. Ik zag het donker worden, de verlichting in de winkel van De Gruyter ging aan, het snoepje van de week was een zak toffees. De vochtige warmte van de herfst omhulde mij.

Thuisgekomen besefte ik hoe fijn het is om te kunnen schrijven. Om je gedachten, je verwardheden op papier te kunnen zetten. Decennia geleden maakte ik mijn eerste verhaal voor een krant. Met een tikmachine en papier in de machine. De letters bonkten tegen het lint. Steeds maar weer verscheurde ik de tekst, omdat ik niet goed kon overdragen wat ik bedoelde, wat het nieuws was. En omdat ik stomme fouten maakte, het nieuws verpakte in de tekst in plaats van het in de lead te zetten. Ik kon niemand de schuld geven van al die proppen papier met verkeerd neergeschreven tekst die in het kantoor terecht kwamen. Maar ik had ook niet het gevoel te falen, ik was onderweg.

Gaandeweg bleven de proppen uit en nam de snelheid van het geschrevene toe. Journalisten kunnen geen routiniers worden. Je bent net zo goed als je laatste verhaal. Op een dag was het vrijdagmiddag. Een paar dagen eerder was er een vondeling gevonden in Rotterdam, dat was toen nog groot nieuws. Ik had onderzoek gedaan en de krant wilde het artikel graag hebben. Er was een pagina voor gereserveerd, voor de krant van de volgende dag. Het artikel moest om elf uur die avond klaar zijn. De letters hamerden tegen het lint, ik zat in een cocon, een fles sterke drank naast me en in mijn mond. De volgende dag lazen tienduizenden mensen hoe een jong mensenkind was afgestaan door een onbekende moeder. Ik mocht de spreekbuis van het kind zijn. Zo ervoer ik dat.

Journalistiek is bij mensen over de vloer komen. In hun eigen omgeving, welke die ook moge zijn, te luisteren naar de verhalen van anderen. Ze een virtuele schouder te bieden. Luisteren geeft troost, niets is zo erg als alleen te zijn in het leven als je het wilt uitschreeuwen van verdriet of na het ondergaan van onrecht.

Moedig voorwaarts.

BIJSLUITER: het lezen van deze columns kan leiden tot groot geestelijk ongemak, heimwee naar Chef,  de Kloosterbunker, Bunkerstad, woedeaanvallen, depressies, onbeheerst gedrag, angstaanvallen, maagzuur, zweten, ongeloof, twijfel aan eenieder, straatvrees, lange tenen en het geloof in het eigen gelijk. Bij de lezers. Scheldpartijen en een onbedwingbare drang om te reageren zijn waargenomen. Sommigen willen mij  corrigeren. Of bedanken. Of prijzen. De drang om in verzet te komen, het abonnement op te zeggen- wat niet kan. Sommigen besluiten de krant niet meer te lezen, of te boycotten. Er kwaad over te spreken. Te janken of te vloeken. De straat op te gaan om te demonstreren. De politiek de rug toe te keren. Of aan de drugs te gaan. Kwaad spreken over Feyenoord. Breken met de familie.

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Categorieën: Columns en Joop Hoek Tags: interviews en schrijven 

Reageren is niet meer mogelijk

Menu