Pas geleden kreeg ik van mijn moeder een mooi setje gouden pennen cadeau. Een vulpen en een balpen – samen in een zwartleren etuitje – die nog van mijn opa waren geweest. Bijna stiekem schoof ze ze me toe, net zoals zij ze zelf ook bijna stiekem van mijn opa gekregen zal hebben. “Hier meisje, neem jij die maar mee…” Stiekem, niet omdat niemand het mocht weten, maar wel omdat het onderdeel was van die laatste grote opruiming die je aan het eind van je leven houdt. Als voorbereiding op het naderende afscheid. En dat gaat natuurlijk niemand wat aan.

Maar wat moet je eigenlijk verder nog doen om je voor te bereiden? Op je eigen dood, maar zeker ook op de dood van degenen die je liefhebt? Kun je je daarop wel voorbereiden? Die vraag heeft me flink bezig gehouden, toen laatst de moeder van mijn collega zenleraar Patrick overleed. Niet eens plotseling, integendeel. Zijn moeder was lang ziek geweest en had enorm veel pijn moeten doorstaan. En na een uitzichtloos lange, soms ondraaglijke procedure werd haar uiteindelijk een euthanasie gegund. De laatste keer dat ik Patrick er daarvóór nog over gesproken had, verwachtte hij dat het ergens in de loop van de volgende week zou gaan gebeuren. Maar op woensdag belde hij om te vertellen, dat ineens besloten was dat het die komende vrijdag al zou zijn. “Ik ben nu even helemaal van de kaart,” zei hij.

Ik was verbaasd, of beter: verwonderd. Zeker niet, omdat ik het me niet kon voorstellen. Maar je zou denken – hopen wellicht – dat juist iemand in zo’n situatie, helemaal al na die ellenlange procedure, er toch enigszins op voorbereid zou zijn. Alles wat er nog gezegd moest worden, is dan toch wel gezegd? En – zo vroeg ik me af – wat maken dan die paar dagen nog uit?

Als het eenmaal zover is, dan komt het blijkbaar toch nog onverwacht. Eigenlijk hoop ik dat het zou gaan, zoals bij al die grote zenmeesters. Die voorspellen niet alleen het moment van hun eigen dood, maar vallen dan ook nog eens precies op dat moment om. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Zo zou zenmeester Tanzan op de laatste dag van zijn leven nog zestig briefkaarten hebben geschreven, met daarin de boodschap: ‘Ik vertrek van deze wereld. Dit is het laatste bericht dat u van mij ontvangt.’ En nadat hij iemand gevraagd had om de kaarten voor hem te posten, stierf hij.

Of zoals zenmeester Hoshin, die tegen zijn leerlingen zei: “Precies over een week ga ik dood…” De leerlingen geloofden er niks van, maar na een week riep Hoshin ze bijeen en zei: “Het is de gewoonte om voor het sterven nog een afscheidsgedicht te schrijven. Maar het kalligraferen gaat me niet meer zo goed af, dus zou één van jullie mijn laatste woorden willen optekenen?”

Zijn leerlingen dachten dat het een soort test was, of misschien zelfs wel een grap. Maar toch pakte één van hen uiteindelijk de kwast op en schreef in sierlijke karakters neer wat Hoshin hem dicteerde:

Ik ben uit schittering geboren en keer tot schittering terug. Wat is dát?

“Heb je dat opgeschreven?” vroeg Hoshin aan de leerling met de kwast. “Jawel meester, maar het is toch gebruikelijk dat dit soort gedichten vier regels heeft? Mist er nog niet een regel?” Daarop schreeuwde Hoshin triomfantelijk nog één keer heel hard “KAAAAA”, en viel toen dood neer…

Zo lijkt mij het ook wel wat. Dat ik op een ochtend in de brievenbus een kaartje van mijn moeder vind, en dat daar dan op staat: ‘Volgende week is het zover, hoor. Houd je er alvast rekening mee?’ En dat ze dan precies een week later triomfantelijk, met een laatste, goed getimede grap deze wereld verlaat. Op die manier is het bijna ‘cool’ om te sterven.

Maar ik herinner me ook nog een heel ander zenverhaaltje. Dat gaat over een zenmeester die z’n hele leven lang tegen zijn leerlingen dingen gezegd had als “Het wezenlijk van de geest is niet geboren, en het zal dus nooit sterven…” en “Er is niks dat vergankelijk is… dus waarom zou je de dood vrezen!?!” Maar op z’n sterfbed was er van al die wijsheid niets meer over. Aan een stuk door lag hij te jammeren: “Ik wil nog niet dood. Waarom moet ik nu al sterven!?!” Ontdaan stonden zijn leerlingen om hem heen. “Meester,” vroegen ze, “hoe zit het dan met alles wat u ons altijd over de dood geleerd hebt?” Waarop de meester antwoordde: “Wat geloven jullie nou? Wat ik toen zei, of wat ik jullie nu zeg?”

Ook dat is natuurlijk heel Zen. De dingen niet mooier willen maken dan dat ze zijn.

Veertiende GiesbaergskeKoleurenGazette14Deze column verscheen eerder in  de veertiende Giesbaergske Koleuren Gazette. Met o.a. gesprekken met pioniers uit Gent: Steven Vromman met zijn boek ‘Stop met Klagen’, Frans De Clerck over Triodos Bank België en Stef Mintiens over de eerste Free-Go.
Verder ook een kijkje in de zelfplukboerderij ‘Erwtjes&Knollen’ in Zandbergen, een veggi recept van EVA vzw en een beklijvend interview met Amir Hussein, een jonge Belg met Afghaans hart in Geraardsbergen;
én een interview met Maarten Olthof over zijn wandelreis van Utrecht naar Assisi. Dat en veel meer in de Lente-editie van de Giesbaergske Koleuren Gazette die online leesbaar is als krant én blog op www.giesbaergskekoleurengazette.be

 

 

Categorieën: Columns
Tags: ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu