Af en toe valt er een zweetdruppel van het voorhoofd van Pistor op het werkblad, vóór hij deze met een routineuze armbeweging heeft kunnen wissen. Pistor zwoegt. Hij laat het deeg in een gestaag ritme op tafel vallen. Om het zachter te maken. De oven brandt. Hierbinnen is het warmer dan buiten. Het zweet gutst over zijn rug.

Geconcentreerd volgt hij zijn handen. Hij voelt het deeg of het voldoende zacht is. Zijn gedachten dwalen. In het begin mocht hij alleen bakplaten klaarzetten, de spullen schoonmaken, ingrediënten afwegen. Nu doet hij alles en hij droomt van een eigen bakkerij. Diep van binnen weet hij dat die er komen zal. Hij loopt over van ideeën hoe zijn bakkerij er uit zal zien. In zijn verbeelding wordt ‘zijn’ bakkerij steeds groter, mooier. Hij zal het anders doen dan zijn vader. Hij zal andere producten maken. Zuurdesem gebruiken, nieuwe ingrediënten toevoegen. En leerlingen opleiden. De ene gedachte rent de andere achterna. Maar hij vindt dat hij nog niet zover is. Wil hij een grote stap zetten en andere producten maken, dat heeft hij nog te leren. Zijn vader heeft geen interesse in verandering, in vernieuwing. Nog enkele jaren en dan houdt hij er mee op. Zal Pistor dan zijn zaak overnemen of gaat hij zijn droom achterna?

Op de dag dat zijn drang om te handelen oppermachtig wordt en zijn wil beheerst, trekt Pistor de stoute schoenen aan. Hij verlaat het vertrouwde, veilige thuis. Leren wil hij. Nieuwe vaardigheden en kennis op doen. Zodat hij een bakkerij en een winkel kan bestieren zoals hij dat wil, ziet, droomt. Zijn hart bonkt, van enthousiasme en spanning.

Hij heeft al snel geluk. Op bezoek bij de beste banketbakker uit de streek nodigt deze hem uit bij hem te komen werken. Wat een kans. Dit vak wil hij echt leren. Stapje voor stapje mag hij laten zien wat hij kan. Zijn vingers worden steeds handiger in het hanteren van de roomspuit. Zijn creativiteit wordt geprikkeld bij het aanbrengen van versieringen. Hij bedenkt varianten van gebakjes, koekjes. Hij voelt zich uitgedaagd en groeit in zijn nieuwe vak.

Na bijna een jaar te hebben geleefd en gewerkt in het dagelijkse ritme van elke keer weer schalen met zoetigheden, dringt de drang naar ‘anders’ opnieuw en krachtig naar voren. Zijn droom beleeft hij in alle geuren en kleuren als hij zijn ogen sluit. Hij wil een breder scala aan producten. Mensen moeten in zijn droomwinkel alle keuzes kunnen maken. Naast het brood en het zoet, ook hartigheden. Gedreven door dit verlangen, neemt hij afscheid van zijn leraar. In vertrouwen zijn plek te vinden.

Hij trekt verder. Steeds verder weg van zijn vertrouwde omgeving. Gesterkt door zijn ervaringen doet hij overal navraag wat de lekkerste hartigheden zijn. Mensen bejegenen hem vriendelijk en wijzen hem uiteenlopende bakkers. Hij proeft veelvuldig. Soms lijkt het dat hij dé heerlijkheid te pakken heeft. Maar steeds is er de lichte teleurstelling dat het net niet is wat hij zoekt. Niet dat waarvan hij weet dat het er is, dat het er moet zijn.

Na vele maanden slingert zijn gemoed heen en weer tussen twijfel dat hij zal vinden wat hij zoekt en zeker weten dat zijn droom te verwezenlijken valt. Moe van het reizen komt hij aan bij een stil, schaduwrijk park. Er valt een weldadige rust over hem bij de aanblik van een schilderachtig, klein meertje. Aan de rand ervan liggen enkele stammen van omgevallen bomen. Stammen vol mos. Hij neemt plaats op een bankje in de schaduw van een zacht ruisende boom. Hij dommelt weg.

Plotseling merkt hij dat hij niet meer alleen is. Naast hem zit een jonge vrouw. Terwijl hij wegdommelde moet ze geruisloos zijn genaderd. ‘Ik heb lekkere hapjes gekocht. Wilt u er ook een? Ik ben benieuwd wat u er van vindt’ zegt ze, terwijl zij hem een geopend zakje voorhoudt. Hij proeft. Dit maakt hem enthousiast. Dit is het! Dit moeten anderen weten.

Zij bekijkt hem nieuwsgierig. Hij bekijkt haar in verwondering en vraagt haar waar ze deze lekkernij vandaan heeft. Zij vraagt wat hem hier heeft gebracht. Hij vertelt over zijn reis en wat hij zoekt. Dan staat ze op zonder een woord te zeggen en wenkt ze hem haar te volgen. Na een wirwar van straatjes, staan ze stil voor een groot raam. In prachtige letters staat op het raam: ‘Pistor. Meesterbakker’. Dit is de winkel waar hij van droomt. Vol verwondering loopt hij rond. Zijn hart klopt snel. Zij neemt een paar creaties van een kristallen schaal en laat hem deze proeven. Nu is er geen twijfel meer mogelijk, deze vrouw is de eigenares van zijn droom.

De volgende jaren leert hij hoe het is om samen te leven en met zijn tweeën een zaak te runnen. Zijn liefde voor haar is groot. En deze liefde is wederzijds. Toch knaagt diep van binnen een onbestemd gevoel. Wat is de reden dat ze hem de belofte heeft laten doen om nooit de woorden uit te spreken ‘nou en?’ En wat is de reden dat ze hem daar regelmatig nadrukkelijk aan herinnert?

Jaren verstrijken. Zijn ouders leven al lang niet meer. In de herfst van dit jaar voelt hij nadrukkelijker dan voorheen dat er iets lijkt te zijn, groter dan zijn gevoel voor haar, voor deze zaak. Hij voelt een drang om terug te gaan. Te onderzoeken wat hem doet verlangen. Een weemoedig verlangen, naar wat? Ze heeft zijn afwezige blik al enige tijd geobserveerd wanneer ze met haar altijd rustige stem de stilte doorbreekt. ‘Weet je dat het meesterbakkersgilde ons vandaag heeft voorgedragen voor de onderscheiding: ‘De gouden heerlijkheid’? Wanneer we deze krijgen, worden we hofleverancier. We worden dan landelijk beroemd. Van heinde en ver zullen klanten naar ons toestromen. We zullen onze zaak drastisch moeten uitbreiden. We zullen meer knechten en leerlingen moeten aannemen en opleiden’. Verward kijkt hij haar aan en murmelt zacht, nauwelijks hoorbaar: ‘nou en?’.

Hoe weet hij niet. Maar op slag is hij terug in het oude dorp, zijn geboorte dorp. Er hangt een lege sfeer in de straten. Hij loopt richting zijn ouderlijk huis. Verstijfd blijft hij staan. De vrolijke, vertrouwde gevel van de winkel ziet grauw. De verf is dof. De ramen ongewassen. Een vaal gordijn belemmert de blik naar binnen.

Een oud vrouwtje schuifelt voetje voor voetje nader. “Ben jij niet de zoon van de oude Pistor?” vraagt ze. Bedremmeld geeft hij haar een bevestigend antwoord . “Ach, wat vervelend nou. Al weer jaren is de winkel gesloten. Er was geen opvolger. De jongeren trekken hier weg en vinden er niets aan om zelf zo’n winkel te beginnen. Ik mis hem wel. Elke dag tijd voor een praatje over het leven. Je kwam in zijn winkel ook andere mensen tegen. En zij waren altijd vriendelijk, behulpzaam. Die menselijkheid mis ik. Ja, dat contact mis ik. Jongeman, ik wens je het beste.”

Haar woorden raken hem. Terwijl hij zich bezint op haar woorden, herinnert hij zich een opmerking die hij deze week opschreef. In zijn kleine notitieblokje dat hij altijd bij zich draagt: “Het lot leidt wie dat wil, wie niet wil wordt meegesleept”.

Nu beseft hij dat zijn zoeken, een zoeken is naar warmte en medemenselijkheid die hij de wereld wil schenken. Liefde die kan inspireren en ontroeren. Intens tevreden gaat hij op het bankje voor het oude winkeltje zitten. Hij sluit zijn ogen. Dan verbeeldt hij zich de warmte in de ogen van elke persoon die zijn winkel verlaat. Hij staat op, om terug te keren naar zijn geliefde. Nu omdat hij haar volledig lief kan hebben en niet alleen omdat zij de eigenares is van een droom.

Het derde spirituele sprookje uit een vierluik. Dit verhaal is een co-creatie van Wouter ter Braake en Jos Niesten.

Categorieën: Columns
Tags: , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu