Op een dag keek mijn boeddhistische leraar mij buitengewoon opmerkzaam aan en sprak: ‘De Heer van de dood heeft je al aangeraakt, Joop’, doelend op mijn grijze baard. Met het bepalen van het tijdstip was ik het niet eens want direct na de ongevraagde geboorte was ik al aan het doodgaan.

Mijn vriendin en ik praten elke dag wel een keer over de dood. Zie het als een puja die vaak herhaald wordt. Het thema wordt langzamerhand net zo gewoon als een pond spruiten halen bij de groenteboer. Met mijn zus kan ik niet over de dood praten, ze wordt lijkbleek als ik het onderwerp aansnij.

Het is ook niet zo dat ik naar de dood verlang, al lijkt het me wel een buitengewoon proces, ik wil nog wel zo’n 30 jaar leven. Mijn vriendin ook, haar moeder werd op een paar maanden na honderd. Het leven is verrukkeluk, is geloof ik de titel van een boek. En zo ervaar ik het ook.

In mijn familie had vroeger een lid een doodskistenmakerij in de Meidoornstraat in Kloosterbunkerstad. In de werkplaats rook het altijd zo heerlijk naar vers gezaagd hout in vele soorten. De arbeiders daar hadden altijd een goed humeur, er was altijd werk aan de winkel.

Laatst vroeg mijn vriendin: ‘Hoe zou het werkelijk zijn om dood te gaan’. Een vreemde vraag want doodgaan is een ervaring. Om haar wat op te beuren vertelde ik over vroeger, toen ik een jonge journalist was met een eigen persbureau in Kloosterbunkerstad. In die jaren zeventig van de vorige eeuw was Kloosterbunkerstad- ook wel Rotterdam geheten- een werkplaats waar wel honderden journalisten hun brood verdienden met het maken van papieren kranten. Landelijke kranten maakten er hun eigen edities.

Na het werk gingen we de kroeg in. De Schouw, door ons het Schouwtje genoemd, in de Witte de Withstraat, werd vaak bezocht. Er kwamen ook kunstenaars met zogenaamd hun werk onder de arm- vaak gekocht in een tweedehands winkel. Alle troep werd aan de muur gehangen, zodat de beschikbare ruimte steeds kleiner werd. Tegen sluitingstijd riep Willem, de kastelein: ‘Politie te paard is onderweg, we gaan sluiten, tijd voor een laatste ronde.’ Daarna trokken Willem en enkele gasten, onder wie af en toe ik en soms een inmiddels overleden burgemeester (met een houtje touwtje jas) de stad in om er nachtzaken te bezoeken. Om de volgende dag weer fruitig en fris op de redactie van het persbureau aanwezig te zijn. ‘s Avonds een man, ‘s morgens een man.

In het centrum van de stad was in die tijd ook het Vredescafé Shalom van Simon Levi, in een mooi oud pand, ik meen aan de Westersingel. In een ruimte erboven had hij een perscentrum geopend waar journalisten elkaar konden ontmoeten en ieder die wilde persconferenties kon geven. Het had niet de sfeer van De Schouw maar zo af en toe ontmoetten journalisten elkaar daar. Onder wie Peter van Es, persfotograaf, en Jan Vroegindeweij, in 2016 Jan Maneij geheten en in Rotterdam werkzaam voor Het Parool. We dronken een biertje, musiceerden wat op gitaar en piano – we konden geen noot lezen- en zongen over Jeruzalem. Omdat we vrijwel de enige journalisten waren die het centrum frequenteerden was het geen lang leven beschoren. Later toonde het COC belangstelling voor die ruimte.

Vredescafé Shalom, perscentrum, Rotterdam, 1970, v.l.n.r. Joop Hoek, Peter van Es en Jan Vroegindeweij.

in het najaar van 2016 was er in De Schouw een reünie van journalisten van de Rotterdamse redactie van Het Parool. Zij kwamen bijeen omdat het ruim 45 geleden was dat deze regionale krant van Het Parool – mét ook weer twee edities – het loodje heeft gelegd. Velen van de toenmalige regioredactie zijn overleden. Anderen hebben zich weer afgemeld vanwege ziekte, werken, of verblijf elders.

Initiatiefnemer Jan Maneij noemde de oude redactie thans al ironisch ‘de rollatorgroep’. Zelf was hij (toen bijna 85 jaar) tot zijn grote teleurstelling overigens ook al niet aanwezig. Geveld door een korte ouderdomsziekte, zo lees ik in Villamedia van de journalistenvakbond NVJ waar ik al sinds 1968 lid van ben.

In een serie over verdwenen Rotterdamse kranten schrijft Jan D. Swart, een van de aanwezige overlevenden, dat op 30 september 1971 Het Rotterdams Parool voor het laatst verschijnt met een handjevol (tien) redacteuren en enkele administrateurs. De krant zat in een specifiek kantoortje aan de Westblaak in het centrum van Rotterdam dat thans helemaal verbouwd is.

Moedig voorwaarts!

BIJSLUITER: het lezen van deze columns kan leiden tot groot geestelijk ongemak, heimwee naar Chef, de Kloosterbunker, Bunkerstad, woedeaanvallen, depressies, onbeheerst gedrag, angstaanvallen, maagzuur, zweten, ongeloof, twijfel aan eenieder, straatvrees, lange tenen en het geloof in het eigen gelijk. Bij de lezers. Scheldpartijen en een onbedwingbare drang om te reageren zijn waargenomen. Sommigen willen mij corrigeren. Of bedanken. Of prijzen. De drang om in verzet te komen, het abonnement op te zeggen- wat niet kan. Sommigen besluiten de krant niet meer te lezen, of te boycotten. Er kwaad over te spreken. Te janken of te vloeken. De straat op te gaan om te demonstreren. De politiek de rug toe te keren. Of aan de drugs te gaan. Kwaad spreken over Feyenoord. Breken met de familie. Het haten van planten en groenten. Aantijgen of beschuldigen. Het stopzetten van gedachten. Sprookjes verwerpen. Houden van Donald Trump. Sommigen voederen geen vogels meer. Of gaan de redactie stalken en bedreigen. Of geloven niet meer in Sinterklaas. Of wantrouwen de banken. Of er kruipt een poes op je hoofd.

 

Categorieën: Columns, Joop Hoek
Tags: , , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu