Niet lang geleden stierf mijn vader. Tijdens de laatste twee jaar van zijn leven dementeerde hij in sneltempo. Hij verloor niet alleen zijn geheugen maar ook de vaardigheden die hem uniek maakten. Mijn vader was een allround vakman, van houtbewerking over elektriciteit tot loodgieterij. Op het einde kon hij geen mes en vork meer hanteren, laat staan ergens een nagel in kloppen of een schroef vastdraaien. Hij verloor niet alleen de vaardigheden waardoor hij zich nuttig en waardevol voelde, hij miste vooral zijn zelfstandigheid. Hij moest gevoed en gewassen worden, en ondergaan dat men zijn pamper verschoonde alsof hij een baby was. Soms leek hij dat vaagweg te beseffen, en gelukkig was er geen schaamte meer maar wel nog altijd een opstandigheid, wanneer hij niet kon verdragen hoe men hem letterlijk manipuleerde, voor zijn bestwil. Een laatste restje van zijn drang om een autonoom wezen te zijn.

Vaak verloor hij zijn moed, zijn veerkracht, zijn waardigheid. Soms was hij lucide genoeg om te kunnen lachen met de beperktheid van het mens zijn en relativeerde hij zijn hulpeloosheid en zijn verwarring. Maar vaak zag ik angst en opstandigheid, en besefte ik dat hij niet voorbereid was om te aanvaarden dat het hoort bij ouder worden om bepaalde vermogens te verliezen. Laat staan dat hij onder ogen wou zien dat ook dementie soms bij ouder worden hoort. Het bevestigde concreet wat ik me al eerder principieel had voorgenomen: om een goed leven te leiden bereid ik me best nu al voor op mijn dood. Anders beëindig ik een waardevol, kostbaar leven in angst. Wat een zonde om al mijn levenservaring te laten verworden in verwarring of bitterheid.

In het begin van zijn dementeren gedroeg ik me bij mijn vader af en toe op een manier waarvan ik zelf een afkeer heb. Ik begon te sussen om mijn machteloosheid te camoufleren. Of erger, ik begon een lezing te geven over wat ik wist over dementeren. Want statistisch heb ik ook een grote kans dat ik erfelijk belast ben, dus had ik alvast wat zitten lezen.

Op een keer zat ik gezellig alleen met hem in een café waar hij genoot van een biertje en van gewoon eens ergens kunnen zitten zonder commentaar van zijn overbezorgde vrouw. Hij gedroeg zich nogal vrijpostig naar de kroegbazin en ik verontschuldigde ons bij haar voor zijn gedrag. Hij reageerde verward en leek vaag te voelen dat hij raar overkwam en dat hij geen vat had op zijn gedrag. Gelukkig vergat hij bijna meteen wat er gebeurd was, maar ik zag dat hij nog wel emotioneel in de war was. Toen verviel ik een ander uiterste, in plaats van te sussen bedierf ik zijn korte moment van argeloosheid door op de man af te vragen: ‘Ben je erg bang?’ Mijn vader schokte met zijn schouders en schudde geïrriteerd zijn hoofd. Hij was van een generatie die dat soort vragen niet stelt. Natuurlijk was hij bang, maar daar praat je toch niet over?

Ik heb zelf ook al ervaren hoe beangstigend het is om te voelen dat je geest je in steek laat, door druggebruik in mijn jeugd en tijdens depressieve periodes als volwassene. Zowel de boeddhistische psychologie als de neurowetenschap stellen dat er in onze geest niet zoiets als een bewustzijnscentrum is, laat staan dat er een regisseur zit. Ons bewustzijn is een voortdurend veranderend proces van verwerken van informatie, op basis van veel trial and error. Het is een immens verschil om rationeel te beseffen dat we enkel de eindresultaten oppikken van onze geestelijke activiteit, en te ervaren dat het daarboven één grote, willekeurige chaos is waaruit een orde ontstaat die een min of meer coherent verhaal oplevert. In het beste, eerder zeldzame geval is dat verhaal ook echt een diep inzicht. Daarom is mediteren zo belangrijk: om de leegte van onze geest te ervaren, het willekeurig komen en gaan van gevoelens en gedachten. En om daar vrede mee te nemen, om mee te gaan met de stroom van het leven. Ik ben dankbaar dat ik af en toe bij bewustzijn kom en voel hoe bijzonder het is dat ik ronddobber op deze wonderlijke planeet.

In het geval van mijn vader moest ik meer en meer raden wat in hem omging, hoeveel bewustzijn hij nog bezat. Ik kreeg steeds meer de indruk dat hij overgeleverd was aan willekeurige impulsen, nu eens lichamelijk, dan emotioneel, en op het geestelijke vlak vooral in de vorm van herinneringen die in flarden kwamen, dwars door de beleving in het nu heen. In feite was mijn vader geestelijk aan het sterven terwijl de rest van zijn lichaam nog min of meer functioneerde. Het verlies van je geestelijke vermogens is de diepste angst die je kan ervaren. Het meest intieme wat je bezit, je bewustzijn, krimpt en hapert. De dood vreet gaten in je vermogen om echt aanwezig te kunnen zijn. En dan vraagt je zoon, een psychotherapeut nog wel, plompverloren of je bang bent.

 

 

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

3 reacties op Ksaf – Waar is het ego van mijn vader gebleven?

  1. Joppe schreef:

    Bedankt voor je troostende verhaal. Ik beleef nu iets dergelijks met mijn dementerende moeder en besef dat ik er alleen maar voor haar kan zijn, en dat dat genoeg is. Soms is dat fijn en soms verdrietig. Het zij zo.

  2. Piet Nusteleijn schreef:

    Ksaf, is verlies van angst de diepste angst die je kan ervaren?
    Je schrijft namelijk dat “het verlies van geestelijke vermogens is je diepste angst die je kan ervaren”.
    Één van de geestelijke vermogens is ‘angst’.

    Zoals ik het bezie:
    De leegte, het Bewustzijn, het Leven manifesteert zich gedurende die jaren en die zelfbewustzijntjes geven we namen, die benoemen we; kind, volwassene.. dementerende..
    Deze zienswijze ervaar ik als heel troostend en bevrijdend.
    Met groet.

  3. Arrisina schreef:

    Je bent niet je geest.
    Het is mij regelmatig opgevallen hoe scherp en accuraat mensen, die wij dementerenden noemen, kunnen zijn.

Menu